Ik droomde

Ik droomde dat een zwarte vrouw naast me lag. Ze was zwart, en ik was blank. Toen ik haar vroeg: ‘Waarom ben je hier bij mij in bed?’, zei ze: ‘We hebben er nood aan.’ We sliepen nog een tijdje, stonden op, ontbeten, fristen ons op, sliepen in en werden opnieuw wakker. Dat was wat ik droomde. Meer niet. Die droom deed zich één keer voor, een tweede, derde keer, en telkens was het precies dezelfde droom; een droom die ik heerlijk vond; en toch was ik niet opgetogen over die droom, want hoe werkelijk hij ook leek, hij was het niet. In werkelijkheid was ik alleen, zonder een vrouw die naast me lag.

Ik nam me voor van iets anders te dromen. Indien ik van de zwarte vrouw droomde omdat ik dat wilde, kon ik evengoed iets anders willen dromen; ik wilde dromen van een vrouw die niet zwart was, een vrouw die gewoon naast me lag. Maar het lukte me niet. Ik had geen nauwkeurig beeld van de vrouw die ik naast mij in bed wilde, en dus ook geen beeld dat me aantrok, dat me opwond, dat me de hele dag bezighield, en dus droomde ik niet. Soms zei ik, toen ik ’s nachts wakker werd : ‘Wil de zwarte vrouw van wie ik gedroomd heb alsjeblieft naar me toe komen?’ En toen ik iemand dacht te horen die de trap opkwam, het licht op de gang aanknipte, de deur opende en stommelend mijn richting uitkwam, meende ik dat zij het was. Ik zei: ‘Kom, we hebben het allebei nodig’ – en ik zat al op de rand van het bed om haar in bed te laten stappen en zich tegen de muur aan te nestelen. ‘Slaap je liever met het venster open?’, vroeg ik. ‘Zal ik de wekker zetten? Wat heb je liever, een donsdeken, een laken? Wil je een pyjama, een t-shirt ?’ - dat soort dingen die je zegt wanneer iemand bij je komt slapen. Maar de stappen stierven uit, iemand draaide zich om, rende weg, de voordeur viel in het slot en ik draaide me op mijn zij, sliep weer in en keerde terug naar de droom die maar een droom was waarin een zwarte vrouw naast me lag.

Ik werd treurig wanneer ik van haar droomde, want wanneer ik naar haar keek, wist ik dat ze niet aan mij dacht maar enkel bezig was met haar eigen dromen. Sliep ze werkelijk bij mij? Die indruk gaf ze mij. Maar als ik goed naar haar keek, en zag hoe rustig ze sliep, met haar twee handen ontspannen op het hoofdkussen naast haar hoofd, als een kind, had ik het gevoel dat ze misschien niet eens wist dat ze bij mij lag. Ze kon evengoed elders liggen, in een ander bed, in haar slaapkamer; mogelijk dacht ze dat haar vriend – en niet ik – naast haar lag. Zo’n vrouw wilde ik niet. Zelfs niet in mijn droom. Ik wilde haar voor mij alleen. ‘Ga maar’, zei ik, ‘ik zie wel dat je niet aan mij maar aan iemand anders denkt.’ Ze verantwoordde zich niet; ze bleef naast me liggen als iemand die jarenlang elke nacht in mijn bed kwam slapen maar die ik nu pas zag. Ik dacht: hier moet ik mee leven: dat ze bij me is, en dat ik niet weet sinds wanneer ze er is, en hoe lang ze nog zal blijven. En toen ik de volgende dagen van haar droomde, kwam er, binnen die droom, altijd een vrees opzetten, een diepe, onbestemde vrees dat ze, hoewel ze de indruk gaf dat ze naast me lag, intussen stilletjes was opgestaan, de kamer uit was en dat ik haar nergens nog zou terugvinden. Af en toe legde ze een hand op mijn arm, mijn schouder, wurmde zich tegen mij aan, zei enkele woorden in haar slaap. Daarmee liet ze me weten : ‘Slaap, droom maar, ik weet dat je maar kunt slapen als je denkt dat ik naast je lig.’ En soms maakte ze me wakker en zei: ‘Wat zou je zonder mij beginnen? Arme, lieve man – wat lig je hier te rillen. Nee, ik ga niet weg.’ Dat zei ze dan. En dat ze bij mij was omdat ik zo bijzonder was. En dus sliep ik in, en droomde dat ze bij me lag. Maar ze liep weg wanneer ik het niet doorhad; ze wachtte tot ik echt van haar droomde en er rotsvast van overtuigd was dat ze bij me was om stiekem op te staan, de deur te openen en van me weg te gaan.

Waarom droomde ik toch van die zwarte vrouw? Toen ik op een dag droomde en naar haar keek, naar haar oogleden die trilden, wist ik het: ‘Omdat zij ook droomt; en omdat ze droomt dat ik van haar droom. Ik droom een stukje van haar droom. De droom waarin ik zie hoe ze kijkt naar hoe ik naar haar kijk.’ Daar droomde ze van – van mijn blik op haar. En doordat ze dat zo vaak droomde, was ik van haar beginnen dromen. Ik keek – en zo kreeg ze die huid van haar, dat haar, die ogen van haar. Die had ze al, maar doordat ik zo liefdevol naar haar keek, werden ze werkelijkheid voor mij. Ze kon niet zonder mij; zonder mij bestond ze niet. Daarom ook draaide ze me nooit de rug toe, lag ze altijd met haar gezicht naar mij gewend, betrapte ik haar bijna altijd met haar ogen open.  Ze zei: ‘Ik kan moeilijk slapen’ en dat was een leugentje om bestwil want ze verzweeg dat ze niet wilde slapen maar enkel naar mij wou kijken. Met mijn blik zei ik haar: ‘Ik zie je, ik besta, en jij ook. Je hebt de hele tijd naast mij gelegen, en ik wist het niet – nu pas zie ik dat.’ En ze wou me, door naar mij te kijken, precies hetzelfde zeggen. Misschien was het wel om die reden dat we van elkaar droomden: om elkaar te zien. We lagen al jaren naast elkaar, zonder één enkele nacht over te slaan, ik bij haar, zij bij mij, maar we wisten het niet. Doordat ik haar zag, zei ik haar: ‘Je bent er. Eindelijk!’ Daarom droomde ze, al wist ze het zelf niet; omdat het haar blij maakte dat ik haar zag, om mij van haar te doen dromen, om zo mooi te worden als ze kon.

Dat was wat ik dacht. Dat waren de mooie gedachten die ik haar toeschreef; maar ze was er enkel in mijn dromen; wanneer ik niet droomde, was ze er niet. En dus dacht ik na een tijdje: ik moet haar vinden in mijn droom, en haar dan uit die droom duwen, tot ze echt in mijn kamer ligt, tot haar warme, slaperige lichaam dicht naast het mijne ligt – dan zou alles echt zijn; dan pas zou ze echt bij me liggen. Als ik dat niet deed, was ik laf, een angsthaas; dit was de kans van mijn leven. Ze zou me haar naam zeggen. Ze had een leeftijd (die herinnerde ze zich ook en die zei ze mij). En ik zou haar stem horen zoals die werkelijk klonk en niet zoals in een droom. Zij zou over haar droom praten (haar droom over mij), en ik over de mijne. Ik zou haar zien zonder te hoeven dromen, en zij zou mij zien zoals ik ben wanneer ik niet droom. We zouden elkaar zien zoals we werkelijk zijn, niet zoals we dromen dat een ander is. Dan zouden we gelukkig zijn; we konden op stap gaan, samen een ander appartementje huren, samen op reis gaan. En uiteraard konden we zo vaak samen slapen als we wilden. Misschien lag daar wel het grote geluk waarvan de droom die ik van haar had maar een voorproefje was.

Maar dat was onmogelijk. Ik droomde liever van haar dan dat ik haar echt bij mij had. Ik bleef dromen van die ene zwarte vrouw die precies was zoals ik me dat voorstelde en zoals ik haar in mijn eerste droom had gezien. Ik had haar leren kennen in een droom, toen ik wakker werd en voelde dat ze naast me lag. En dus, als ik haar wilde blijven voelen, als ik zeker wilde zijn dat ze naast me lag, en als ik echt gelukkig wilde zijn, even gelukkig als toen ik haar voor het eerst zag, moest ik blijven dromen; anders verloor ik haar. En dus bleef ik dromen. Want zonder die dromen van me was ze er niet, en als zij er niet was, was ik diep ongelukkig, of verveelde ik me; en als dat gebeurde – en dat gebeurde meer en meer -, haastte ik me naar bed om zo gauw mogelijk in te slapen en van haar te dromen. Maandenlang heb ik zo doorgebracht; ik droomde. Ik wilde haar niet anders, en nergens anders dan in mijn dromen. Ik droomde heerlijke dromen, waarin ze naast me lag, waarin we samen waren, waarin we praatten, opstonden, ontbeten en gingen slapen, met als enige nadeel dat ik wist dat ze niet echt bij me was. En toch waren dat – als ik er nu op terugkijk – de heerlijkste dromen die ik ooit heb gehad, en wel omdat ik wist dat ik droomde, en wilde dromen, en niets anders deed dan dromen.

Onlangs dacht ik nog : laat ik opstaan in mijn droom en alle dromen doorzoeken tot ik haar vind. Misschien heb ik niet lang genoeg gezocht? Nu moet ik kranig zijn, en mijn dromen binnenstappen. Niet zomaar genieten, niet dromen, maar aan de slag gaan. Misschien moet ik niets van haar wensen, haar louter vinden. Niets tegen haar zeggen, haar gewoon volgen, mijn droom in, haar droom in, tot waar ze woont, en slapen bij haar, in het bed bij haar thuis. Waar zou ze wonen? In een stad, op het platteland? Weet ze wel dat ze van me droomt en dat ik haar droom aanvoel, oppik, voortzet en misschien mooier maakt dan hij is, als ze al echt van me droomt? Het maakt niet uit. Desnoods kruip ik bij haar in bed terwijl ze het niet eens weet. Want blijven dromen van een vrouw die er niet is kan ik niet langer aan. Dus zocht ik in mijn dromen naar haar, en zocht haar uit de droom te halen, maar deze keer pakte ik het veel zorgvuldiger aan: ik wilde niet langer wachten tot ze bij mij kwam, ik wou de grens vinden waar de droom werkelijkheid werd, waar wat mogelijk enkel in mijn hoofd zat, tevoorschijn kwam, tastbaar, hoorbaar, voelbaar werd.

Ik sliep de klok rond, wekenlang, haalde me haar beeld voor de geest voor ik insliep en droomde zoveel ik kon. Zoals ik het al eerder vermoedde, stond ze ’s nachts inderdaad op, en ging het huis uit. Ze kwam nooit binnen; ze hoefde de trap niet op; ze was er al; en ik zag haar pas toen ik droomde. Maar terwijl ik droomde dat ze bij me was, sloop ze weg. Ik deed mijn ogen dicht toen ze opstond, haar kleren aantrok. Ik keek haar na wanneer ze de kamer uitliep, zonder te bewegen, zonder dat ze het merkte, stond op en volgde haar. Nu was ik, samen met haar, haar eigen droom binnengestapt. Maar terwijl ik achter haar aanliep, verloor ik haar uit het oog. Ik vond haar niet. En terwijl ik haar zocht, zag ik andere vrouwen die me bevielen en van wie ik voelde dat ik evengoed bij hen zou kunnen slapen. Het bracht me in de war. Ik zocht naar mijn zwarte vrouw, en ik vond andere vrouwen. Ik wilde enkel naast mijn zwarte vrouw liggen, en ik wilde evengoed naast al die andere vrouwen liggen. Ik had de weg naar haar droom gevonden, ik had de plek van mijn eigen droom gevonden – en in die droom doolden andere vrouwen rond, precies zoals ik. Het verraste me, het bracht me van streek, maar zo was het nu eenmaal. Ze leken niet op de zwarte vrouw, of heel vaagjes, en toch deden ze me aan haar denken, precies doordat ik ook bij hen wou gaan liggen.

Op een nacht had ik  eindelijk de kamer gevonden waar de zwarte vrouw was binnengegaan. In plaats van bij haar aan te kloppen, bleef ik voor de deur staan, en liep naar een andere deur, waar een andere vrouw was binnengegaan. En terwijl ik in die kamer stond zag ik ook andere kamers waar andere vrouwen op een bed lagen. Ze lagen daar precies zoals de zwarte vrouw soms naast mij lag, met hun handen op het hoofdkussen. Ze kenden mijn dromen, dacht ik, anders lagen ze daar niet zo uitnodigend op mij te wachten, in dezelfde houding als mijn zwarte vrouw; het kon geen toeval zijn dat ze vlakbij mijn zwarte vrouw lagen. Ik moest die andere kamers in. Ik vond ze aantrekkelijker dan de kamer waar de zwarte vrouw lag. Ik liep ze binnen en dat leek me heel vanzelfsprekend, alsof ik geen andere keuze had. En wanneer ik dan bij hun bed stond en het bed instapte, had ik de indruk dat de zwarte vrouw dat zag en goedkeurde. Ze wist: die andere vrouwen zijn niet zo bijzonder als ik; ze lijken op mij, meer niet; hij ziet niet eens het verschil. Hij droomt van mij, maar ik ben er niet; ik wil wel bij hem zijn, maar ik kan enkel bij hem zijn in zijn dromen; als hij werkelijk iemand bij zich wil, zijn er nog altijd andere vrouwen; ik gun ze hem.

Dat was precies wat de volgende nachten gebeurde: ik liep achter de zwarte vrouw aan, vond andere vrouwen, liep bij ze binnen, en ging bij ze in bed liggen. Telkens opnieuw zocht ik de zwarte vrouw, maar vond een andere. Waarom vond ik de zwarte vrouw niet? En waarom ging ik niet bij haar toen ik voor de deur stond waar ze was binnengegaan? Misschien verschool ze zich in de kamer die ik niet binnenkwam omdat ze me kwijt wou. Misschien wilde ze gewoon niet dat ik haar vond. Misschien was ze niet zo heel erg verschillend van die andere vrouwen – was ik het die dacht: die ene zwarte, bijzondere vrouw moet ik hebben, terwijl in werkelijkheid alle vrouwen die in mijn dromen voorkwamen en in die kamers lagen op elkaar leken, iets te bieden hadden en nu eens zwart en nu eens blank waren. Ik weet niet wat ze precies dacht. Ik weet alleen: ik wilde met die andere vrouwen slapen. De meeste vrouwen stelden me dat voor, aan anderen vroeg ik het, ze stemden ermee in. Het was makkelijker dan ik dacht, en het was wat ik wilde, en toch niet helemaal: terwijl ik in die andere kamers lag, dacht ik nog altijd aan die ene, andere kamer waar mijn zwarte vrouw lag en van wie ik dacht dat ze misschien toch nog op me wachtte; maar omdat ik haar dan nooit zag of hoorde, behalve in mijn verbeelding, ging ik ervan uit ze het niet alleen goedkeurde dat ik bij die andere vrouwen lag maar dat ook van mij verwachtte.

Nu ik gezien heb hoe makkelijk het is vrouwen te vinden in mijn dromen, doe ik dat evengoed elders, hier, waar bijna niemand nog droomt. Ik wacht niet meer; ik slaap niet; ik ga het huis uit, de straat, de trein op, ik zoek, ik vraag. Zo vul ik mijn nachten. Ik ben gewoon niet meer te houden; ik ga alle richtingen uit, ga naar alle plekken waar er vrouwen zijn. Soms ga ik, op één en dezelfde nacht, naar de ene, dan naar de andere, naar een derde, een vierde vrouw – en ’s anderendaags kan het gebeuren dat ik, zodra ik opsta, alweer op weg ga en dat ik in mijn dromen achteraf (die geen dromen zijn, maar slechts herinneringen aan wat ik al heb gehad en opnieuw zou willen beleven alsof het nooit eerder gebeurd is) nog andere vrouwen toevoeg en in werkelijkheid ook opzoek; en al die gezichten en ontmoetingen lopen in elkaar over, wissen elkaar uit, heffen elkaar op, want hoe intens elke ontmoeting met die ene vrouw bij wie ik lig ook is, de ontmoeting met de volgende vrouw lijkt me even intens en uniek, zodat ik het gevoel heb dat ik altijd weer op stap moet want dat elke ontmoeting even intens en uniek zal zijn, waardoor ik niets liever doe dan dromen of op stap gaan. Maar geen enkele van die vrouwen doet me zo hevig dromen dat ik het gevoel heb dat ik in haar droom binnendring en weet hoe ze van me droomt. Bij de zwarte vrouw had ik soms het gevoel dat we van plaats wisselden zonder te hoeven bewegen. Ik zag wat zij zag, zij zag wat ik zag. Ik keek naar haar, en terwijl ik haar ogen zag, keek ik door diezelfde ogen naar mezelf; het ging er niet eens om wat ik precies zag, maar dat ik keek met een nieuwe, verraste, intense, vanzelfsprekende blik; blik die me overviel: ik had hem niet gezocht, wist niet eens dat hij bestond. We konden niet dichter bij elkaar zijn dan dat. Want nog altijd wist ik dat ik door mijn en haar ogen keek, iets wat ik liever niet had geweten, zodat ik ook kon vergeten dat ik in bed lag, dat zij naast mij lag en dat we beiden naar elkaar moesten blijven kijken om zover te raken dat we tenminste voor een stuk samenvielen. Maar dat lukte niet; het enige wat lukte: als ik zo, door haar ogen, naar mezelf keek, was het soms alsof ik er niet eens lag; alsof ik elders was; zover raakte ik met haar. Ik droomde, en raakte verder dan mijn droom. Zover dat ik me afvroeg: ben ik er nog, waar ben ik nu? Ik droom niet, dat weet ik zeker, en ik ben ook niet wakker, ik zit elders, voorbij dromen en waken, ik weet niet waar. De droom had me bij haar gebracht; en bij een plek die nog verder lag; zo ver bracht het ons met elkaar te zijn. Maar toch niet verder dan dat. Maar hoe ver we ook van elkaar bleven, het was nog altijd veel dichterbij dan bij al die andere vrouwen met wie ik omga, zodat ik nooit intiemer ben geweest dan met mijn zwarte vrouw met wie ik nochtans nooit intiem ben geweest, die ik nooit heb gevoeld of gestreeld, want zij behoort enkel tot een droom; maar tot een droom die zo heel erg verschilt van mijn wensen, dat een heel klein stukje van die droom, zodra hij verwezenlijkt wordt, me meer oplevert en dieper laat doordringen in een wereld die ik niet ken dan de volledige en voortdurend herhaalde beleving van mijn gekste wensen. Ik heb het gevoel dat ik vaker en met meer voldoening bij mijn zwarte vrouw in bed gelegen heb dan bij al die andere vrouwen. En soms gebeurt iets anders: ik lig naast zo’n andere vrouw; en omdat ik denk aan de zwarte vrouw, de enige vrouw die ik werkelijk wil, is het alsof geen enkele vrouw in bed naast me ligt.

Ik stel me tevreden met de vrouwen die ik ontmoet. Ik vraag ze – ze komen; ze willen me, ik kom en lig in bed naast een zwarte, een gele, een blanke of een rode vrouw, een mollige, een grote, een slanke, eentje met kort, lang, blond of donker haar, eentje die een mooie stem heeft of enkel geeuwt en sneert. Ik doe met haar precies wat ik met de zwarte vrouw deed. Het is ontspannend, het komt goed van pas, het is best leuk, gezellig, heerlijk, wat al niet, maar het is niet wat ik droomde.

Toen ik vroeger droomde, lag de zwarte vrouw al naast me voor ik aan haar dacht. Ik zag haar pas wanneer ik begon te dromen. Nu droom ik nog amper; ik hoef niet te dromen om een vrouw te vinden; wanneer ik een vrouw wil laat ik het haar weten en wacht tot ze naar me toe komt. Maar dat wachten, hoe kort het ook duurt, maakt dat ik de indruk heb dat ze verder van me af staat dan de zwarte vrouw; bij haar had ik tenminste het gevoel dat ik dicht bij haar was, al was ze misschien nergens, en zeker niet bij mij. Ik kan me elk woord van de zwarte vrouw herinneren; de woorden van al die anderen vergeet ik. Ik verlangde naar de zwarte vrouw, mijn verbeelding zorgde ervoor dat ik een beeld van haar had, ik was bereid geduld te hebben, op haar te wachten; ik nam het erbij dat ik, wanneer ik wakker werd, wanneer ze weg was, heimwee naar haar had, haar miste. Wanneer ik nu iets verlang, dat verlangen omschrijf, me er een beeld van vorm, een persoon zoek en vind die aan mijn wensen voldoet, kan ik nog amper wachten, en als ik dat toch doe weet ik dat ik dat enkel doe om op die vrouw die ik opwacht iets van de glans van de zwarte vrouw te laten afstralen; ik geef haar het aroma van de zwarte vrouw wanneer ik, eens ze weg is, denk: ik wil haar terugzien; maar eigenlijk neem ik alles wat te maken had met mijn zwarte vrouw weer op en vernietig het door het over te dragen op die andere vrouwen; ik geef ze een aura dat hun niet toekomt; ik doet dat moedwillig; het is mijn manier om mijn droom te behouden en hem tegelijk stuk te maken. Ik ontwaard hem. Ik wil dat, al was het maar om de pijn om het verlies van de droom te verzachten; droom waar ik soms op spuw, die ik veracht, die me pijn doet, omdat hij zo heerlijk was en ik me hem nu enkel nog vaag herinner.

Ik wil die vrouwen, hoor de bel, laat ze bij me binnen, en terwijl ik ze de trap hoor op komen, weet ik: dit wil ik liever niet. Wanneer we praten, zegt het me niets. En wanneer zo’n vrouw zegt: ‘Ik wou dat je van me droomde zoals ik van jou droom’, denk ik: ‘Wat een onzin!’, en zeg: ‘Wat heb je liever, dat ik van je droom, of echt bij jou ben?’ Een vraag die nergens op slaat, want zelf weet ik goed genoeg: ik wil die vrouw niet, ik wil nog altijd die zwarte vrouw van wie ik droomde. We gaan slapen, en wanneer we opstaan, zeg ik iets liefs, met een glimlach, zodat ze denkt: ‘Hij heeft me graag, hij mag me wel.’ Dat is zo, maar niet meer dan dat. ‘Zal ik morgen terugkomen?’ Ik zeg: ‘Ja’, maar ik meen het niet. Ik weet dat hoe meer zulke andere vrouwen bij me komen liggen, hoe meer de kans verkleint dat ik ooit nog van mijn zwarte vrouw droom. Ik mis haar nu al, en ik zal haar meer en meer missen, en ooit moeten vaststellen: ik vind haar nergens meer, zelfs niet in mijn dromen. En wanneer ik af en toe toch droom, en de plek vind waar ze is (zonder haar gezien te hebben: ik zie enkel de deur waarlangs ze is binnengegaan), ga ik opnieuw die andere kamers in waar die andere vrouwen op me wachten; ik laat ze op me wachten; ik weiger naar hen te kijken; ik probeer mijn verlangens te bundelen, enkel op haar, de zwarte vrouw te richten. Om haar is het begonnen, haar moet ik hebben; en toch stap ik weer die andere kamers binnen. Ik weet dat het, wanneer ik die andere kamers binnenstap, mijn honger niet zal stillen; desondanks stap ik, bijna tegen mijn wil, die kamers binnen. Iets dwingt me daar binnen te gaan, weg van mijn zwarte vrouw. Ik doe het regelmatig; het is de routine van mijn dromen, routine die zich ook in mijn leven doorzet: ik zoek geen avontuur, al lijkt het zo, ik doe steeds hetzelfde, zet steeds dezelfde stappen, als een gewoontedier, al wil ik dat niet. Ik verken niet langer, dankzij de zwarte vrouw, een droom die mij vervult, ook al laat hij me onverzadigd en bots ik steeds tegen de grens aan van wat nog droombaar is; ik leid een leven dat beheerst wordt door een droom die de mijne niet is, als was ik iemand die, gevangen in de droom van een ander, alles doet wat die ander van hem verlangt – alleen weet ik niet wie me dat oplegt, ik weet alleen dat ik handel zoals hij dat van mij verwacht en dat ik niet anders kan. Ik troost me met de gedachte dat de zwarte vrouw daar zelf voor gezorgd heeft. Ze had moeten roepen toen ik voor haar deur stond, de deur wijd open gooien. Wanneer ik heel even van haar gedroomd heb en daarna stilsta bij de vrouwen die al in mijn bed gelegen hebben en alle anderen van wie ik droom en die ik ooit nog zal ontmoeten, denk ik: nee, dit doet me niets meer. Ik ben er klaar mee. Ze hoeft niet meer in mijn dromen voor te komen. Wanneer ze een volgende keer nog eens het lef heeft om naast me te komen liggen, zal ik haar wegduwen, uit mijn bed gooien. Ik hoef haar niet meer. Wat heb ik aan haar gehad? Weinig, bitter weinig, behalve dat nu elke dag een vrouw naast me ligt en dat ik, zodra ik opsta, aan andere vrouwen denk, de hele dag door. En aan de zwarte vrouw die ik nergens nog terugvind. Niets heb ik aan haar gehad. Ze heeft me de indruk gegeven dat ik in mijn dromen vervulling zou vinden, maar in mijn dromen kan ik haar niet vinden. Ik vind geen vervulling bij de vrouwen die in de kamers naast de hare liggen en waar ik altijd weer naartoe stap hoewel ik dat niet wil, en ik kan evenmin vervulling vinden bij de vrouwen die in mijn eigen kamer naast me in bed liggen en die ik daar liever niet zag liggen. Vroeger was mijn leven tenminste draaglijk, want ik dacht niet eens aan haar; sinds ik van haar gedroomd heb, weet ik dat ze bestaat en dat ik haar mis.

Ik vraag me steeds maar af: ‘Waarom toch is ze ooit bij me komen liggen? Waarom heeft ze me doen denken: ik ben je droom, ik kom je in je droom tegemoet?’ Sinds ik van haar gedroomd heb, sinds ik geprobeerd heb haar te vinden in haar eigen dromen, en daarin niet geslaagd ben, sinds ik in mijn dromen andere vrouwen gevonden heb, en buiten mijn dromen nog vele andere vrouwen (allemaal vrouwen die ik vroeger niet kende en die ik niet eens benaderd zou hebben mocht ik nooit van de zwarte vrouw gedroomd hebben), ben ik meer kwijt dan ik voordien had. Ik lijk meer te hebben dan vroeger, maar in werkelijkheid heb ik minder, want elk genot is gekenmerkt door gemis: telkens ontbreekt de zwarte vrouw.

Sinds kort droom ik soms dat ik slaap en ontwaak in een wereld zonder dromen, waarin dus ook niemand naast me in bed ligt en waarin ik geen andere dromen van andere vrouwen vind. Die droom, die me zou moeten verlossen van het dromen van de zwarte vrouw, maakt me integendeel intriest. Want wanneer ik wakker word, zeg ik tegen mezelf: ‘Zie je wel, ik droomde van een wereld zonder zwarte vrouw. Waarom kom ik nu tot leven in een droom zonder haar terwijl ik vroeger pas tot leven kwam toen ik van haar droomde?’ Of ik het nu wil of niet, ik slaap weer in, en droom. Ik droom van een wereld waarin ze ontbreekt. Een wereld waarin ik zelfs geen andere vrouwen vind. Ik droom lege dromen. Ik word wakker en verfoei mijn droom waarin ik haar niet vind. Ik sta op en ga onmiddellijk op zoek naar andere vrouwen. Dat doe ik niet omdat ik die vrouwen wil, en evenmin omdat ik van ze hou. Dat doe ik enkel omdat ik weet dat de zwarte vrouw overal afwezig is: zowel in mijn dromen als in de wereld die zich buiten mijn dromen afspeelt. Zo droom ik, zo leef ik, sinds ik van de zwarte vrouw droomde: in een wereld waarin mijn dromen me niet vervullen maar enkel eenzamer maken, en waarin ik bij elke ontmoeting met een andere vrouw, zodra ik naast haar in bed lig - maar vooral zodra we elkaar aankijken en ik haar aandachtig aankijk, en hoop dat ze me net zo aandachtig aankijkt als ik haar, zodat het lijkt alsof we allebei geboren zijn om dag in dag uit naar elkaar te kijken, ik vanuit mijn werkelijkheid, zij vanuit de droom waaruit ze komt en die de mijne maar ook de hare is (want zij droomt over mij, en maakt mij in haar droom tot iemand die in haar ogen even mooi is als ze hem voordroomt, en dat ik doe ik ook met haar) – soms zou willen opstaan en zeggen: ‘Ga nu maar, vooruit, weg!’, enkel omdat ik besef dat ik nooit op dezelfde manier naar die ene vrouw zal kunnen kijken als ik naar de zwarte vrouw keek. Dan pas, zodra ik even intensief naar een andere vrouw probeer te kijken als ik dat vroeger in mijn droom deed, besef dat ik mijn zwarte vrouw mis. En vraag ik me af: ‘Waarom heeft ze me hier gebracht, waarom heeft ze me bij zoveel andere vrouwen gebracht, en is ze zelf intussen verdwenen?’ En ik sluit mijn ogen, probeer niet te huilen en word heel teder en kwetsbaar, niet omdat ik van die vrouw hou die naast me ligt maar omdat ik mijn zwarte vrouw mis.