Naast me, eeuwig

I
Hij stond in de sacristie.
‘Ik willen spreken met u’, zei hij, ‘en eten, douche.’
‘Dat kan’, zei ik, ‘maar eerst moet ik je naam weten.’
‘Nee, geen naam, anoniem’, antwoordde hij.
Ik staarde een tijdje afwezig naar de spiegel. Was hij er wel echt? Kon ik de weerkaatsing van zijn beeld zien? Jawel, daar stond hij, met zijn grauwe huid, naakt op een witte sjaal na die hij slordig om zijn middel had geknoopt, naar mij starend met grote weemoedige ogen.
‘Douche’, smeekte hij.
‘Volg me.’

Lees meer...