Naast me, eeuwig

I
Hij stond in de sacristie.
‘Ik willen spreken met u’, zei hij, ‘en eten, douche.’
‘Dat kan’, zei ik, ‘maar eerst moet ik je naam weten.’
‘Nee, geen naam, anoniem’, antwoordde hij.
Ik staarde een tijdje afwezig naar de spiegel. Was hij er wel echt? Kon ik de weerkaatsing van zijn beeld zien? Jawel, daar stond hij, met zijn grauwe huid, naakt op een witte sjaal na die hij slordig om zijn middel had geknoopt, naar mij starend met grote weemoedige ogen.
‘Douche’, smeekte hij.
‘Volg me.’

We liepen stilzwijgend door de kille gangen van mijn grote, sombere huis, en toen hij uit de douche kwam en de kleren zag die ik voor hem op de wasmand had klaargelegd, vroeg hij, meewarig: ‘U willen dat ik dit pakken?’
Ik knikte. (Ik weet dat enkel stilte raadselachtige bezoekers geruststelt.)
‘U lief aan de mensen', zei hij. 'Maar u alstublieft ook helpen mij. Ik verkeerde handen.’
Ik pakte een badhanddoek en droogde zijn schouders af.
‘Nee, niet genoeg. Ook rug. Helemaal droog’, beval hij.
Ik wreef zijn rug droog, en daarna, omdat hij dat vroeg, zijn borst, zijn billen, benen en voeten.
‘En ook gaten tussen tenen’, zei hij, ‘Heel droog moeten dat zijn daar.’
Nadien wees hij met een gebiedende wijsvinger naar de haardroger, boog voorover en duwde zijn kruin tegen mijn buik. Ik föhnde en kamde zijn haar. Vreemd was dat, want eerst had ik de indruk - toen hij in de sacristie stond - dat hij lang, weelderig haar had; nu was er slechts een kransje haar dat als een lichgrijs aureool heen en weer schoof over zijn hoofd. Daarna drukte hij het stapeltje nieuwe kleren koesterend tegen zijn borst, liep ermee naar de werkkamer, legde het op de radiator en ging in zijn blootje, met parelende huid, in de zetel tegenover me zitten.
‘U drinken veel?’, vroeg hij schor, wijzend naar de fles rode wijn die op tafel stond.
‘Soms’, zei ik. ‘Hoe ben je binnengekomen? De voordeur gaat stipt om tien uur dicht. En toch sta je hier, klokslag middernacht.’
‘U boos met mij?’
‘Behoorlijk boos, en als ik eerlijk mag zijn: ik heb de stellige indruk dat iemand me in de steek heeft gelaten. Terzake: hoe ben je binnengekomen?’
‘Mysterie, mysterie!', kirde hij. 'Ik graag door dichte deuren lopen. Ik grote honger, u bakken een omelet voor mij.’
Ik stond meteen op, liep naar de keuken, en hij liep als de schaduw van een onzichtbaar huisdier achter me aan. Terwijl ik de eieren roerde, leunde hij met een kokette heupbeweging tegen het aanrecht en ging, met uitgestrekte armen en zijn rug nu eens naar voren en dan weer naar achter krommend, alsof hij een gymoefening deed, tegen de koelkast staan. Zijn wat ouwelijke gezicht kwam me bekend voor. En ook de rest van zijn lichaam kwam me om een onverklaarbare reden bijzonder vertrouwd voor. Hij had een lange, dunne hals met enkele rimpels in, een kleine, smalle ribbenkast, een onregelmatige, donkere vlek begroeid met donzig haar op elk van zijn schouders, een gigantische, ronde buik waarvan het vel gespannen stond als dat van een trommel, vrij brede heupen, slanke, nauwelijks behaarde benen. Het merkwaardigste was echter zijn navel: een flinterdun gerimpeld velletje hing uit de navelopening.
Nadat hij de omelet had opgegeten, stond hij langzaam op, plaatste het bord op de stapel ongewassen borden op het aanrecht en draaide de kraan van de wasbak open.
‘Nee, hoeft niet’, zei ik, ‘doe ik zelf wel. Kom, vooruit, de woonkamer in. Ga maar zitten.’
Hij strekte zich behaaglijk uit in de zetel.
‘Ik dorst en drinken’, zei hij.
Ik schoof mijn glas naar hem toe en schonk hem wat wijn in.
‘Meer’, zei hij, nadat hij het glas in één teug had leeggedronken. ‘Voller glas.’
Ik schonk hem opnieuw in.
‘En nu is het mijn beurt’, zei ik, nadat hij zijn lege glas op het tafelblad had neergezet. ‘Ik dorst naar iets, ik weet niet wat. Stoort het’, vroeg ik, ‘dat ik net zo’n vol glas leegdrink als jij?’
‘Bedien je’, zei hij gul.
Ik goot zijn glas vol, dronk het leeg en goot het opnieuw vol, met het routineuze gebaar van de nonchalante drinker. Het glas schoof heen en weer over het tafelblad van de salontafel; pas had ik het neergezet of ik moest het weer volgieten; en nadat we stilzwijgend naar elkaar starend een paar glazen hadden gedronken, uit dat ene enkele, glimmende glas, kwam hij overeind, liep naar de radiator, rook aan zijn kleren, zei: ‘Veel warm, veel goeds en goede reuk’ en kleedde zich aan, grommend van voldoening.
‘Ben klaar voor de grote reis’, zei hij, 'straks stap ik het leven in.'
‘Ga je gang. Hoe heet je?’, vroeg ik hem nog.
Hij klemde de lippen op elkaar.
‘Ik moet een naam hebben. Voor het register, beste vriend. Zo kan de vicaris checken wie ik hier ontvang.’
‘Nee, nee! Later, later’, zei hij, ‘geen tijd nu. Moet wassen! Nu.’
‘Maar je hebt toch net een douche genomen?’
‘Nee, ben, zal, was, wassen!’, riep hij.
‘Ach, die afwas’, zei ik met een zucht, ‘dat kan wel wachten’, maar hij legde zijn handen op zijn buik, met een pijnlijke grimas, alsof hij op het punt stond te bevallen. Toen pas besefte ik met welk accent hij sprak, met welke woorden hij onze mooie taal verbasterde.
‘El banjo, bedoel je, lieve, uitheemse vriend? Kom je soms ook uit Salamanca?’
Hij knikte.
Ik liep hem voor naar het toilet. Nadat ik ruim een kwartier gewacht had, ging ik op de gang kijken. Ik klopte op de toiletdeur. Geen antwoord. De voordeur stond wijd open; ik keek de straat op; ze lag er verlaten bij. Een windvlaag gleed langs ramen, klinken en luiken. Alle deuren van dit huis antwoordden met hun karakteristieke doffe gegrom op de ramen en luiken in de straat die treurig kraakten, zoals wolven die aan het grienen slaan omdat elders andere wolven huilen. Toen ik me, dodelijk vermoeid van dat onophoudelijke huilen van de wolven, omdraaide en moedeloos naar binnen liep woei de voordeur achter me in het slot. Minutenlang beende ik lusteloos de kille gang op en neer. Mijn bezoeker was verdwenen, even geruisloos en geheimzinnig als hij mijn huis was binnengekomen.
Toen hij enkele dagen later, ‘s nachts, naast mijn bed stond, droeg hij nog altijd de kleren die ik hem had gegeven.
‘Hoe heet je?’, vroeg ik.
‘Fidelio’, zei hij nors, ‘Fidelio moe, heel veel stappen gedaan, wekenlang, trappen op, trappen af. Fidelio nu tot inkeer gekomen. Ik willen slapen.’
En zonder verder omhaal sloeg hij de dekens om, trok zijn kleren uit en ging in bed liggen.
We lagen hoofd tegen voet, voet tegen hoofd. Ik draaide hem de rug toe, stopte me in (aan mijn kant van het bed), trok het dekbed naar me toe en hield de rand ervan stevig in mijn hand geklemd. (Ik haat koude en tocht.) Plotseling hoorde ik hem van op het voeteinde van het bed fluisteren:
‘Ik willen zijn misdienaar van u.’
‘He, wacht even. Ken je er wat van?’
‘Klaar!’, zei hij.
‘Luister, misdienaars, Fidelio, en hier breekt mijn hart, dat mag hier niet meer. Bevel van hogerhand.’
‘Hier alles zo serieus’, zei hij, ‘bij ons, in Spanje, wij elke dag carnaval, feesten, grote stieren en stoeten, handenvol tomaten!’
'Kan best. Maar wat koop je ermee?'
Hij zuchtte - met dezelfde ontreddering waarmee ik zuchtte, wat me ineens voor hem innam -, kroop naar me toe, hing enkele ogenblikken met zijn gezicht pal boven me, steunend op zijn handen, en gaf me een zoen op het voorhoofd.
‘Beloven mij, beloven mij’, zei hij, ‘ik misdienaar!’
‘Ja, goed, je mag’, zei ik, ‘maar stiekem, vriend, zo stiekem dat het lijkt alsof je er niet bent, en enkel als je precies doet wat ik zeg’, en toen hij weer gaan liggen was, duwde hij zijn koude tenen tegen mijn kin. Daarna draaide hij zich op zijn zij, liet zijn armen over de rand van het bed hangen, als twee dunne gekromde takken, duwde zijn billen tegen mijn buik en masseerde mijn adamsappel met zijn hielen.


II


‘s Anderendaags at hij amper. Hij duwde het bord met de omelet van zich af. ‘Waterig, slecht gebakken’, oordeelde hij; en hij liet zijn boterham half aangegeten liggen.
‘Ik gaan aan de sacristie’, zei hij en haalde er een dalmatiek uit een kast die zelden openging. De dalmatiek kraakte, en brak als een gepijnigd stuk karton hoewel Fidelio hem op de tafel in het midden van de sacristie omzichtig probeerde open te leggen.
‘Alle dalmatieken zijn hier eeuwenoud’, zei ik, ‘jouw schuld niet. Maar jij mag zoiets niet aantrekken. Enkel diakens mogen dat.’
‘Ik diaken’, antwoordde hij.
‘Nee, jij geen diaken.’
‘Ik aartsdiaken.’
‘Ook niet.’
‘Substituut’, zei hij.
‘En trouwens, Fidelio’, zei ik, ‘– nou, mag ik heel even?’, en ik liep langs hem heen naar de andere kant van de sacristie, pakte een fles uit een andere, vaak gebruikte kast en dronk met volle teugen.
‘Ik zijn superdiaken’, zei hij ineens (ik stond naar mezelf te staren in het glas van een vitrinekast waar heilige vaten stonden uitgestald.).
‘Nee, Fidelio, ook dat niet.’ (Ik nam een laatste slok.)
‘Acoliet!’
‘Proseliet, Fidelio? Ijveraar voor het voorvaderlijk geloof? Eindelijk een fles zonder tanine. Niet slecht.’
‘Ik priester!’, riep hij.
‘Geen sprake van.’ (Ik vroeg me af waar mijn volgende wijnfles lag.)
‘Dan ik nemen dit’, zei hij beslist, en pakte een superplie uit de kast.
‘Waarom?’ (Waarom kon ik niet ongestoord drinken?)
‘Ik zijn toch je misdienaar? Jij geven mij ook drank.’ En nog voor ik wat had kunnen antwoorden, had hij de fles uit mijn handen gegrist (fles die we even later broederlijk deelden). Daarna paradeerde hij trots met zijn superplie voor de spiegel. Hij stonk en schitterde zo erg dat hij nu eens op een helwitte kaars, dan weer op een opwindende mottenbal leek.
‘Trek dat ding uit! Niemand trekt nog zo’n dingen aan.’
‘Geen maskers, geen kostuums, geen plezier’, zei hij, ‘trouwens, waar zijn de rode rok? Geen superplie zonder rode rok onder! Anders jouw dienaar niet compleet! Indien geen jurk dan rok! Rode rok, rode rok!’, scandeerde hij, en hij wrikte de andere kastdeuren open, gooide alles op de grond wat hij op de schappen aantrof.
Kandelaars vielen kletterend voor zijn voeten neer, twee cibories vluchtten naar een uithoek van de sacristie, twee patenen liepen, netjes op elkaar gestapeld (ze leken één enkele, platte schaal te vormen) luidruchtig de kast uit, cirkelden rond op de vloer en kwamen beduusd aan mijn voeten neerliggen.
‘Hebben jij plannen voor vandaag?’, vroeg hij, terwijl hij nog een andere kast opende, waaruit kriskras door elkaar en jammerlijk zuchtend tientallen keurig gesteven gewaden door hun knieën zakten.
‘Plannen? Nee, Fidelio, allang niet meer.’
‘Perfect’, zei hij.
Die hele namiddag speelden we in de sacristie.
‘Eerst alba aantrekken. Wit, vlekkeloos ondergoed van de priester, Fidelio! Neenee, eerst dat, dat leggen jij op je schouders!’, zei hij belerend. ‘Hier’, en hij viste uit de stapel paramenten die we tot een hoge berg bij elkaar hadden geschopt in een hoek van de sacristie een flinterdunne lap stof op.
‘Zo, zo’, riep hij, ‘stoflapje voor borst. Prima tegen kou.’ Hij knoopte de vergeelde lintjes die als treurige pootjes aan die stof hingen vast tot iets dat leek op een gerafelde navelstreng. ‘En ongezien! Ongezien!’ Hij bedoelde, zo kwam ik pas na een kwartier te weten: je moet dat ding zo aantrekken dat je je hemdkraag niet meer ziet. ‘Alle sporen van de wereld wegvegen’, zei hij. ‘Ok. Hoe-oe-meraal is dat. (Hij maakte van de ‘hoe’ het langgerekte oe-geroep van een of andere uil.) En nu ook stola omdoen, warme spirituele sjaal!’
‘Dat weet ik wel, ik ben verdorie priester, priester, Fidelio.’
‘Ja, maar hoe? Jij vergeten jij knap, elegant.’
Hij hielp me de stola om de nek te leggen, kruiste hem voor mijn borst, riep: ‘Single, single!’, pakte een dunne koord waarmee hij mijn vurige lenden insnoerde en omdat ik schik begon te krijgen in onze verkleedpartij trok ik er maar meteen mijn kazuifel over aan.
Maar toen ik voor de spiegel stond, gilde hij: ‘Uit, weg die kazuifel! Huiver, duivel!’ en overhandigde me een andere kazuifel die een bleekroze kleur had. Op de voorkant ervan stond een gouden kruis geborduurd, en op de achterkant een eik waarvan de wortels leken op oude vingers, gekromd door de artrose; de boom zelf was bekroond met een armetierige, vaalgroene kruin. Zodra ik de kazuifel aan had, pakte Fidelio de zoom ervan vast tussen de vingertoppen van duim en wijsvinger en wreef alle plooien glad.
‘Zó strijken!’, zei hij, ‘kijk, simpel, geen vrouw meer nodig!’
'Ach, vrouwen', zuchtte ik, maar pas had ik dat gezegd, of een parochiaan opende de sacristiedeur, stak zijn kale hoofd binnen en zei:
‘Het is tijd, eerwaarde.’
‘Voor wat?’, vroeg Fidelio.
‘Het is Pasen’, zei de man, ‘Pasen.’
‘O, Pasen! Gezellig, kaarsjes!’, zei Fidelio. ‘Ik meedoen.’
‘Nee, Fidelio.’ (Ik, kordaat.)
‘Jawel.’ (En weer had hij die weemoedige ogen die alle weerstand breken.)
‘Ok, dat mag, maar de symboliek, ken je die?’
‘U moet wel wat anders aantrekken’, zei de man aan de deur (er klonk vermoeide ergernis in zijn stem), ‘iets met een ander kleurtje, een minder mistroostig motiefje, dit hier…’ (en hij pakte uit één van de vele kasten van deze gigantische sacristie - en die hij zorgvuldig weer op slot deed - een fris ruikende goudkleurige kazuifel die ik zonder morren aantrok.)
‘Symboliek?’, vroeg Fidelio verwonderd (hij stond weer naast me voor de spiegel).
‘Pasen, Fidelio. Gestraft en dus het kruis op. Dood. Het graf in. En weer levend.’
‘Mooi verhaal.’
‘En mooie symboliek.’
‘Klaar en precies', zei hij.
‘Eén detail, dat je allicht over het hoofd hebt gezien: bidden, Fidelio, enig idee hoe je dat doet?’, vroeg ik.
Ik deed het hem voor: vouwde mijn handen samen, bracht ze voor mijn borst, staarde ingetogen naar de grond, terwijl ik uitsluitend aan mijn smaakpapillen dacht.
‘Treurig naar de grond kijken? Geen probleem!’, riep hij.
‘En aan drank denken, lieverd. En de diepe, zingevende betekenis, Fidelio’, vroeg ik, ‘ken je die?’
‘Nee.’
‘Wie dood was is weer levend. Kerker in, kerker uit. Cel in, cel uit. Windstil, storm. Droef, en daarna blij. Geketend, gekerstend. Daar gaat het om. Wij ook blij. We gaan nooit meer dood.’
‘Snel’, zei de parochiaan, die nog altijd in de deuropening stond, ‘het is bijna middernacht, de mensen wachten.’
‘Fidelio, jij, meekomen’, zei ik.
‘Hierlangs’, zei de parochiaan. Hij stopte me een Paaskaars in de hand, stak ze aan, duwde me naar het altaar toe. En net voor de gelovigen hun lucifers afstreken om hun theelichtjes aan te steken en van het portaal naar het altaar begonnen te lopen, in groepjes, zodat de kerk op een zee van liefde leek met naar het altaar zwevende lichtjes die dreven op golven van medeleven, hoorde ik Fidelio’s ademhaling vlakbij mijn oor. Zijn heup raakte de mijne, zijn vingers streken langs mijn vuist, wriemelden tegen mijn opeengeklemde vingers, kropen op tegen de muis van mijn hand.
‘Vrede’, zei hij hartstochtelijk, ‘leven en liefde voor eeuwig, lieveling!’
Die nacht sliepen we wang tegen wang, mijn tenen rustend op de wreef van zijn voet. Maar eerst lagen we nog rug tegen rug, nadien heup tegen heup (we draaiden ons tegelijk om en staarden lange tijd, zwijgend, naar het plafond) en tenslotte voorhoofd tegen voorhoofd.
Hij verschoof een beetje. Zijn wenkbrauwen kriebelden op mijn wangen. Ik drukte mijn lippen tegen zijn linkerslaap. Zijn hoofd kwam wat hoger, ik voelde baardstoppels langs mijn wangen glijden. Af en toe hapte hij naar adem of smakte, zo kinds en vertederend dat ik mijn mond mild bestraffend tegen de zijne drukte, mijn bovenlip cirkelend rond zijn onderlip. Tot hij weer iets lager wegdook, en ik, als een milde vader, zijn voorhoofd kuste.
‘Hoe heet je?’, vroeg hij me, terwijl hij met zijn kin over mijn neus wreef.
‘Fidelio.’
‘Jij ook Fidelio?’ Zijn stem verraadde ongeloof. Hij tokkelde op mijn beide slapen, kneep in mijn rechterwang.
‘Jazeker, ik Fidelio, jouw dienaar, voor altijd en altijd.’
‘Bravo! Bravo!’, lachte hij, zijn hoofd achterover werpend, ‘ik, Fidelio, jouw Fidelio.’
En hij rees uit bed, lenig als een roofdier, blies krachtig de kaars uit die op het nachtkastje stond. Een droom kwam eindelijk uit: wild, onzegbaar wild drukte hij zijn lichaam tegen het mijne.


III


Op een dag kwam hij de slaapkamer binnen met een man die er haveloos uitzag: Hij stond daar, in de deuropening, hulpeloos de hand van Fidelio vasthoudend, als een blinde. ÂÂ Hoewel het winter was, droeg hij zwarte plastic sandalen, blauwe kousen, een grijze zijden broek met gaten ter hoogte van de knieën en een reeks afgewassen t-shirts die hij over elkaar heen had aangetrokken; hij had een buitenmaatse mauve pet op, waarvan de tip van de klep op zijn rode neus rustte.
‘Mijn broer’, zei Fidelio kort, en zich tot de man wendend: ‘Kleed je uit. Douche. Ik zorgen voor nieuwe kleren. Jij omelet?’
Ik lag al in bed toen Fidelio een halfuurtje later met zijn broer de kamer binnenkwam.
‘Bed ruim genoeg’, zei Fidelio, ‘jij eindje opschuiven.’
En hij liet zijn broer tussen ons in liggen.
Na deze ene broer kwam er een tweede. Nadien een derde, een vierde, en een weekje later kwamen ook Fidelio’s vijfde en zesde broer. Ze waren allen knap en laveloos; na een weldoende douche en een hartige omelet gingen ze, nog nadruipend van het water en met een glas wijn binnen handbereik in ons bed liggen.
‘Wij niet beter anders aanpakken?’, vroeg Fidelio op een dag. ‘Keertje in bed slapen, keertje in sofa, keertje op stoelen?’
‘Maakt me niet uit’, zei ik, ‘zolang ik maar bij jou kan liggen.’
‘Jij een heel, heel goeie mens’, zei Fidelio, ‘ik dit opknappen. Maar eerst jij mij geven geld.’
Hij kocht een stapel matrassen die hij naast het bed neerlegde. Een dag later vroeg hij weer wat geld en legde vier matrassen in de werkkamer; de andere legde hij in de eetkamer, nog eentje in de keuken, onder de keukentafel, en eentje naast de douche.
Fidelio’s familie bleef maar aangroeien. Na de broers kwamen de neven, na de neven de ooms. Niet enkel het slapen werd een probleem. Ik moest aanschuiven om een douche te nemen. Om water te besparen waste ik me om de twee dagen, nadien om de drie dagen. We hingen een bordje op, in de slaapkamer, met daarop onze namen (Fidelio één, twee, drie en zo verder). Op dat bordje noteerden we ook de volgorde waarin we aten, dronken en sliepen (we moesten dezelfde koelkast, dezelfde wijnvoorraad, dezelfde eettafel delen). Bij gebrek aan ruimte sliepen we beurtelings op slaapmatjes, op het tapijt, in de sofa, op een stoel, op de gang, en ten slotte op en onder de tafels en kasten.
Dit alles verdroeg ik, tot ik op een dag Fidelio in mijn bureau ontbood.
‘Dit kan zo niet verder’, zei ik streng, ‘ik kan jullie niet blijven onderhouden met het geld dat ik van het bisdom ontvang. Ik ben gesteld op privacy en heb mijn nachtrust nodig. Tja, ik ben niet meer van de jongsten - nee, ik verwijt je niks, lieve Fidelio, nee, geen haar op mijn hoofd dat jou iets kwalijk neemt. Jullie zijn allerliefst voor me. Maar iets zit me dwars: jullie plunderen de offerblokken.’
‘Wij, dieven?’, riep Fidelio, en hij toonde me zijn handen (er waren wijnrode spatten op maar verder geen enkel spoor van dievachtigheid).
‘Dat heb ik niet gezegd. Wil je dat ik de verzekeringen oplicht? Aangifte doe van diefstal door onbekenden?’
‘Deed je dat niet?’, vroeg Fidelio.
‘Wat ontbreekt er verder nog? Hoeveel kelken, schalen? Waar verkoop je ze door?’
‘Nee, niks verkopen’, zei Fidelio, ‘wij alles evangelisch delen.’
‘Ben je hier uit overtuiging, uit hunker naar verlossing, lieve Fidelio, of omdat het jou goed uitkomt? Wees eerlijk, lieve vriend.’ (Ik verwachtte een duidelijk, met redelijke argumenten omkleed antwoord.)
‘Wij vrolijke misdienaars!’, was het enige wat hij riep.
‘Eén misdienaar volstaat’, zei ik.
‘Wij excellente minnaars’, zei Fidelio.
‘Aan één minnaar heb ik genoeg.’
‘Wij priesters’, probeerde Fidelio.
‘Ziehier uw priester’, zei ik, ‘en, lieve Fidelio, sta me toe dat ik toch één ergerlijk karaktertrekje van je aanhaal: je liegt dat je zwart ziet!’
‘Juist, ja’, knikte hij. ‘Wij in onze familie vele goeie genen.’
‘Mij goed’, zei ik, ‘steek dat geld terug in de offerblok. En graag ook het geld voor alle liefhebbende doeleinden, Fidelio, voor de armen, gehavenden en verweesden, en zij die sterven van gemis. Gelieve ze in de passende enveloppen te steken en aan onze parochiaan te geven. Nee, geen gemaar maar soberheid (ik zag hoe hij zijn lippen tuitte om het woord ‘dorst’ uit te spreken). En nu, stante pede, eis ik van jou een kusje, ter vergeving van al je leugens.’
Popelend boog hij voorover, een al gratie en dankbaarheid voor mijn milde oordeel, en op de tippen van zijn voeten staand, bood hij me zijn kruin aan met daarop zijn weelderige zwarte haar, die slimme, onbetrouwbare donkere kruin van hem die ik zacht masseerde en met overgave kuste, waarna ik zei, op zalvende, vergevingsgezinde toon: ‘Nou goed, we vinden wel een oplossing.’


IV


Voortaan celebreerden we samen de missen. Met z’n dertienen legden we broederlijk de handen over elkaar, net boven de kelk, terwijl ik de consecratie uitsprak. We zegenden de pateen, gaven het abdijbrood aan elkaar door, braken er een stukje af, nadat we de korst hadden verkruimeld en als los zand op de vloer hadden gestrooid; we zwermden op mijn signaal naar de eerste rij stoelen en gaven mandjes brood aan de gelovigen, zeggend: ‘Neem een flinke hap, en geef wat rest door aan wie achter u zitten.’
Sommige parochianen waren bijzonder opgetogen over onze heilige maaltijden.
‘Mooie vriendjes heb je daar’, zei één van hen. ‘Zo knap, zo zuiders, zo, nou ja... om van te snoepen!’
‘En hun zussen’, zei een andere parochiaan, wijzend naar twee rijen zwartharige vrouwen die zwijgend in een halve cirkel in de apsis stonden en heel af en toe haast onhoorbaar zongen, ‘ook niet mis, temperamentvol, hemels gezang, nee, engelenkoren, eerwaarde, beslist niet min.’
‘En die jongelingen, zo mooi opgesteld, eentje bij elk tafereel van de passieweg, en die kinderen achterin, bij het portaal: beleefd, discreet zijn ze, geel, bruin, blond, zwartharig – en toch passen ze allemaal bij elkaar’, zei nog een andere. ‘Een universele kerk, eerwaarde!’
Ik glimlachte, geflatteerd, en wuifde naar de lange rijen grijze mannen en vrouwen die op kousenvoeten en hoofdschuddend de kerk verlieten.
Maar ons succes werd onze ondergang. Regelmatig kwam een parochiaan (altijd diezelfde klier) in de sacristie, in het holst van de nacht, terwijl ik rustig, ver van het luidruchtige gekakel van Fidelio en diens op verhitte toon pratende familieleden, aan een fles wijn lurkte. Telkens verscheen hij als een spook, geruisloos neerdalend van de berg paramenten die daar nog altijd lag, ging pal voor de spiegel staan en sprak, gebiedend:
‘Luister, en teken op.’
Zodra ik voor hem neerknielde, veranderde zijn houding; hij verstijfde, en zei, beverig, op bijna onderdanige toon:
‘Ik weet niet waar ik thuishoor. Heb het koud. Zo moe, zo moe. Een levenslange weg. Ik zoek, en vind niet. U moet me een thuis geven, een plek waar ik…’
‘Thuiskom? Een plek waar ik mij begrepen, gedragen voel, omgeven door mensen die me koesteren, me liefhebben?’
‘Ja, precies, dat precies.’
‘Een haven van rust, is het dat wat u zoekt?’
De man rilde.
‘Ja, en ook geborgenheid.’
‘Een schelp?’
‘Ja, zo’n schep waarin je reusachtige zeeën van veiligheid hoort, waarin je schuilt, je gewenst, verwacht voelt. Kan ik dat hier vinden?’
‘Daarvoor moet u bij Fidelio zijn.’
‘Staat u me toe dat ik Fidelio ontmoet?’
‘Natuurlijk.’
‘Vindt u het niet erg? Ten slotte is Fidelio, hoe zal ik het zeggen…’ (hij keek naar me op, met een bedeesde, schuldige blik.)
‘Mijn vriend, juist, ja.’
‘Ooit zei u: hij is mijn zon in dit donkere krocht.’
‘In deze spelonk, mijn beste.’
'Zal hij mijn tranen deppen?'
'Eerst zul je huilen van verdriet', zei ik, 'daarna van onzegbare, diepe vreugde.'
‘U zult het me niet kwalijk nemen?’
‘Waarom zou ik? U zoekt hem – ik vond hem al.’
Ik ging vlakbij de parochiaan in nood staan, wilde hem omhelzen, maar hij deinsde terug; er lag een wasem - in de vorm van een mooie, zachte mond - op de spiegel die wankelde en haast omviel.
‘Bah! Wat een zure adem, eerwaarde! (Zijn mond raakte bijna de mijne.) Nou goed, Fidelio dus, ja, ik zal met hem spreken. (Hij ging weer stijf en op een afstand in de spiegel staan.) Waar is hij?’
‘Overal. Zoek hem, en u zult hem vinden. Ga nu maar.’
Ik wuifde de parochiaan na en liet me neerzakken op de grond, tussen de metershoge kasten met vergulde bolle handvaten die als geblokte reuzen met glimmende neuzen op me neerkeken. Daar bleef ik liggen, urenlang, tot ik wakker werd en vaststelde dat ik weer in bed lag.
Na die vervelende parochiaan kwam ook een vrouwelijke parochiaan langs. Ook zij vroeg naar Fidelio. Pas was ze ergens in de kerk verdwenen of ook haar broer kwam even langs. Hij vroeg om nieuwe kleren, een omelet, wat zakgeld en bleef ongevraagd logeren. Daarna kwam de neef van die man om een douche vragen, en diezelfde dag nog kwam een nicht van weer een ander iemand om wat eten smeken. Enkele weken later kwamen twintig mannen en vrouwen die ik nooit eerder had gezien om onderdak vragen. Ze woonden onder bruggen, zeiden ze. In caravans. In straten. Sliepen in parken en in de ingangen van grote warenhuisketens.
‘Nee’, zei ik, ‘nee, nooit. We herbergen al een reusachtige familie’, maar Fidelio, die op dat moment voor de deur stond, met plastic zakken onder de arm gevuld met broodjes en gebakjes (hij kreeg ze elke dag van de bakkers in de buurt die ze in de bus kwamen stoppen), zei: ‘Jawel, u mag binnen. Er is plaats genoeg!’, en hij gooide de deur wijdopen.
Op een dag stonden honderd mensen geduldig aan te schuiven voor de poort van de kerk. Allen vroegen ze naar Fidelio, die, zodra hij hen zag, vrolijk op hen toeliep, hen zonder onderscheid verwelkomde en hartelijk omarmde.
De kerk bloeide. Ze was nog nooit zo vol, zo druk geweest. Ze ademde, grapte, juichte weer. We legden onze bezoekers te slapen in een oude badkuip op zolder (we dekten ze af met een matras op een houten plank), in de zijkapellen van de kerk (we plaatsten gyprocplaten voor de glasramen en pakten er de altaren mee in zoals men kostbare kunstwerken inpakt die in een museum horen), op het doksaal, naast het orgel en op de warme, houten pedalen van datzelfde orgel, in de houten preekstoel (we legden een plank over de oestervormige preekbak), in de apsis en in het koorgestoelte, in de kleine gaanderij die vlak boven de pilaren van de middenbeuk loopt, in de kruisbeuken en in de middengang van de kerk.
Toen de stroom bezoekers nog altijd niet ophield, wrikten we de toegang tot de crypte open, legden daar nog een tiental mensen te slapen (het kwam goed uit: tussen twee romaanse pilaren paste telkens precies één matras; één man sliep op het graf van de legendarische stichter van deze kerk).
Wanneer ik door mijn pastorie en kerk wandelde, hoorde ik mijn gasten, uitgestrekt op hun matrassen die ik met plezier bekostigde, praten en zingen in alle wereldtalen.
Wat kan een lichaam aan? Hoeveel zaligheid kan het verdragen? Ik zoende zure, hete lippen, liet mijn vingers glijden langs de verticale gleuf die elke mens vanaf zijn bekken tot zijn nek in tweeën verdeelt: in angst en hoop, moed en lafheid, vertrouwen en vrees, verlangen naar eeuwigheid en naar kortstondig genot; ik pakte een verdwaalde haar die eigenzinnig naast een schuchtere tepel groeit, tikte tegen grote, kromme, akelige neuzen, drukte mijn lippen op zachte, flinterdunne wimpers, de subtiele haartjes van de ziel, ik kuste al wat op en uit een lichaam groeit, als antennes, grillige tentakels die naar de lucht, de vrijheid tasten.
En ach, op een stille lentedag was Fidelio verdwenen. ‘s Anderendaags gingen zijn broers en zussen heen. De neven en nichten volgden, de ouderen (ouders, ooms, tantes) vertrokken in de daaropvolgende dagen en elk van hen droeg op zijn rug, als een schuin hangend en op de grond slepend kruis, één van de alleroudsten (een grootouder, grootoom of groottante) en sjokte ermee naar het voorportaal, waar de jongere generatie ze op hun schouders nam.
Allen vormden ze (dat zag ik doorheen de vitrage van de ontvangstkamer van mijn geluidloze pastorie) een hechte keten van fiere, sterke ruggen waarover die stamvaders en stammoeders, als op een rolband, tot op het einde van de straat gleden. Daarna stapte ieder uit het gelid; ordeloos en luid met elkaar pratend liepen ze de straat uit. Ik wachtte. Misschien liepen ze even het blokje om en kwamen ze van de andere kant van de straat weer naar me toegelopen. Ze brachten hun plastic zakken vol inkopen naar hun vrienden en kwamen meteen terug. Ze gingen even een frisse neus halen, wandelden als kopers door drukke straten en kwamen, teleurgesteld, op zoek naar warmte en huiselijkheid terug mijn stille straat in. De winkels gingen dicht; de straat liep leeg. Het begon te sneeuwen. Sneeuwballen lagen voor het rapen (maar niemand greep ernaar). Alle sneeuwballen smolten. Het werd donker. Geen enkel straatlantaarn floepte aan. Geen maan, geen storm, geen zuchtje wind. Een kilte die me overviel. Ik liep de kerk in. De luiken voor de ramen waren dicht en maakten van deze kerk een huis zonder lucht in een wereld van duisternis en wind; toch voelde ik een barse tocht die door de glasramen van de hoofdkapel blies, over de lessenaar, de miskende, in een hoek geschoven communiebank, de met eeuwenoude grafstenen opgevrolijkte zwarte vloer schoof, langs het grimmig krakende hout van de preekstoel zijn koude adem tot in mijn nek joeg. Ze willen jou niet meer, dacht ik. Het vroor, het werd eeuwig winter.


V


‘U ziet er zo bleekjes en ongelukkig uit’, zei een parochiaan (weer diezelfde bemoeial). Hij stond plotseling naast me, in de sacristie, op klaarlichte dag. Een fles wijn lag op de vloer, er sijpelde wijn uit de flessenhals. Hij pakte mijn schouder vast.
‘Waar is Fidelio?’, vroeg hij.
Ik slikte, starend naar de geuten bloed onder mijn voeten die zich via de voegen tussen de tegels vertakten en zienderogen versomberden. Ik zette een paar stappen; de vloer voelde aan als zompige modder; ik zag druiven en bloeiende ranken, uitstulpend uit het vermolmde hout van de wandkasten. Ik verstarde. Om me heen, gedempt, komende uit de lambriseringen, hoorde ik onheilspellende klokkende geluiden, als van wijnflessen die aan een hels tempo werden ontkurkt.
‘Gelooft u niet meer?’, vroeg de parochiaan.
‘Was het dat maar’, zei ik.
‘Waar is Fidelio?’
Hij wierp een onderzoekende blik op mijn ogen, mijn neus.
‘U moest zich dringend verzorgen. Een wandelingetje maken. Dit donkere pand uit. Zorgt voor een betere bloeddoorstroming. Zult u er weer fris en toonbaar uitzien. Hoe kunt u anders blijde boodschappen brengen? Kunt u dat even voor me doen?’, vroeg hij.
‘Wat?’
‘Fidelio roepen.’
‘Natuurlijk, wat u maar wil.’
Ik liep naar de woonkamer, naar de badkamer, naar de zolder, zette mijn handen aan mijn lippen, tuitte ze, riep, met galmende stem:
‘Fidelio! Fidelio!’
Een doodse, heilige stilte.
‘Zou u niet even in de kerk gaan kijken?’
‘O ja, natuurlijk.’
Op zoek naar Fidelio verzeilde ik in een houten cel tussen sacristie en koorgedeelte, drukte mijn voorhoofd tegen een smoezelig groen gordijntje met verbleekte randen; daarachter lag bestofte duisternis, verscholen achter muf ruikend houten latwerk. Ik aanhoorde er de eindeloze litanie van iemands zonden.
Ik liep naar het houten verhoogje waarop het altaar staat, plantte mijn twee handen op de lessenaar, riep opnieuw: ‘Fidelio! Fidelio!’
Wat geritsel (ik schoof zenuwachtig met mijn voeten heen en weer). Toen luid gedaver (ik stampvoette). En weer was er die immense, trieste stilte. Ik liep naar de zijkapellen, naar de apsis, riep: ‘Fidelio! Fidelio!, en als in koor weerklonken, vanuit alle kieren en holtes van dit treurige, geestelijke huis, de woorden:
‘We weten niet waar hij is! Zijn voetstappen hebben we niet gehoord.’
Ik wachtte, en vroeg:
‘Wanneer komt hij terug?’
‘Hij was er, nu niet meer. We weten niet hoe hij komt, noch hoe hij heengaat.’
Ik vermande me, en vroeg: ‘En jullie, Fidelio’s broers, waar zijn jullie?’
‘Dat weten we niet.’
‘En jullie, stamvaders, stammoeders?’
‘Weg, Fidelio, weg, voorgoed.’
‘En ik dan? Wie zal me kleden, strelen, met me spelen?’
‘Niemand.’
De verwarmingsketel in de kelder sloeg aan met een metalen, snijdende klik en brulde als een gemarteld dier. De wind blies de voordeur open; ik holde naar buiten, keek de straat in, hoopte er Fidelio te betrappen, met zakken vol brood en wijn. Of, indien Fidelio er niet was – ja, met die mogelijkheid moest ik rekening houden - tenminste één iemand die daar wandelde, die met zijn jonge, kloeke stappen op de klinkers zei: ‘Hier ben ik, een vriend en verwante van Fidelio. Ik ben de eerste - hoor ze stappen, aan de rand van de stad, mijn duizendkoppige familie komt eraan!’
Maar die eerste bode kwam maar niet. En ook de tweede niet. Geen enkele bode kwam. De pijn die daarop volgde, het gemis, de stilte, het lege bed, de hete, onvervulde dromen: ik wens ze niemand toe. Ik besliste mijn gemis weg te stoppen, ergens diep in mezelf, mijn pijn en ontbering te vergeten. Het werkte. De ellende zwakte af, het beeld van mijn geliefde Fidelio vervaagde, en na een tijdje stelde ik vast ik een hele dag lang niet aan hem had gedacht. Maar rillend sliep ik in, ondanks de vijf kazuifels die ik bovenop het dekbed had gelegd.
Ik besloot in de slaapkamer te wonen, voorgoed, op de plek waar ik met Fidelio geleefd had. Wat had ik nodig? Weinig. Een schrijftafel om een schets van een preek neer te kribbelen, een po, mijn voorraad wijn, en twee kazuifels: de eerste diende om aan te trekken als werkkledij (wanneer ik dutte en sliep), de andere als ontspanningskledij (wanneer ik in de pastorie en de kerk rondliep). Beide waren uit linnen en hadden een onschatbaar voordeel: ze oogden altijd chique, of ze nu netjes gestreken of verfrommeld waren. Af en toe kwam de behulpzame parochiaan me halen.
‘U moet er wat aan doen, aan die toestand waarin u zit’, zei hij, ‘nietsdoen verergert uw pijn, versterkt uw gevoel van nutteloosheid.'
'Volledig mee eens', antwoordde ik.
'Als u nu eens datgene deed waar u voor betaald wordt? Dat zou kunnen helpen.’
Hij trok me de sacristie in, kleedde me aan, zwijgend, en ik liep achter hem aan de kerk in, en keerde, eens de dienst voorbij was, naar mijn kamer terug. Diezelfde man bracht me eten, en af en toe een krant.
‘Het gaat beter met u’, zei hij een paar weken later. ‘Ik zie het. Regelmaat. Werken zonder nadenken, dat helpt. U moet niet altijd verlangen naar wat onmogelijk is.’
Ik knikte, en ik stond op het punt zijn wijze woorden te geloven. Maar toen ik hem vroeg: ‘Mijn beste, dit duurt nu al een eeuwigheid. Wanneer kan ik weer de school in, lesgeven, optrekken met leuke collega’s, langdurig staren naar mijn jonge leerlingetjes?’, antwoordde hij, lichtjes ontstemd: ‘Weer aan het dromen?’
‘Dat gaat vanzelf.’
‘Dat is het hem net’, zei hij, ‘u zou opgeruimd moeten zijn, vrolijk volhardend in deugdzaamheid. Dat is pas heldendom. Maar dat kunt u niet. U hebt blijkbaar andere dingen nodig.’
‘Hier zit ik vast, alleen, mijn vriend. Geen spanning, geen ontspanning. Geen jacht, geen buit, geen uitdagingen.’
‘U zou kunnen bidden, stichtelijke boeken lezen.’
‘Last van mijn ogen, beste. Zien silhouetten waar woorden staan. U vindt dat ik er beter uitzie. Het is maar schijn. Laat me gaan. U kunt me toch niet verbieden vrolijk te zijn zoals ik dat wil?’ (Ik wist dat dit geen goed argument was.)
‘Treurig, maar deze oplossing dringt zich op.’
‘Nee, iemand legt ze me op. Terwijl mijn aard, mijn diepere natuur, door God geschapen…’ (Weerom: verkeerd argument, want God heeft me, zo weet die parochiaan, voor andere dingen bestemd.)
‘Nee, uitgesloten’, zei hij, ‘dat kunnen we niet toestaan. Dit is uw woestijn, eerwaarde. Die moet u gezellig op uw eentje doorlopen. Zonder de minste afleiding. U zult nog verbaasd staan over uzelf wanneer u er uit bent. Zo anders zult u zijn. Zuiver, eerwaarde, en herboren.’
Ik zweeg.
‘Doen we dat?’, vroeg hij. ‘Jazeker. Ik ben hier de enige die nog met u inzit.’
Hij pakte mijn fles af, opende het raam, gooide ze naar buiten (ik hoorde ze stukvallen op een grafsteen tegen de muur van de kerk) en leidde me als een drieste engel weer mijn doffe kamer in.


VI


Op een dag kwam, tijdens de homilie, een vrouw de kerk binnengelopen. Ze had lang, golvend, gitzwart haar, een scherp gezicht met hoge jukbeenderen, een zachte, effen, donkere huid, en ogen die ik meteen herkende. Ik onderbrak mijn preek, wenkte, riep haar:
‘Komt u dichterbij.’
Ze keek me ongelovig aan.
‘Ik?’
‘Ja, u daar.’ (Ik richtte me tot een schaduw achter een pilaar.)
Haar kleine voeten zonken weg in de donzige matrassen op de middengang waarop mijn parochianen lagen uitgestrekt. Luid kletterend stapte ze het verhoogje op. Bij het altaar trok ze haar schoenen met naaldhakken uit en legde ze op het altaarblad. Ze trok ook haar zwartleren vestje uit, rolde haar topje op tot net boven haar navel, ging op de grond liggen, maakte zwembewegingen met haar armen. Daarna zwom ze onder het altaar door, tot ze met haar hoofd vlak voor het tabernakel lag. Boomlang leek ze me, een boomlang schip dat op de kerk was ingevaren. De woorden van mijn preek vielen van me af als oude kleren.
Even keek ze naar me om, met schuldige, treurige ogen – ogen waarin ik mijn eigen treurnis meende af te lezen. Daarna draaide ze zich om, en toen ik me eveneens omdraaide en ze me droef bleef aankijken nu ze op haar rug lag en beetje bij beetje werd opgehesen en met wijd uitgestrekte armen en gespreide benen voor het tabernakel hing en op me neerkeek, haar handen vastgeketend aan ijzeren kettingen die vanuit het gewelf op haar neerdaalden, welden tranen in mij op.
Deernis voelde ik, om haar, maar ook om mezelf. Ik wist: ze kent mijn verdriet. Ze is net zo gekooid als ik. Ze ziet de leegte die in me zweeft, me even onvatbaar en onkenbaar maakt als de ruimte achter mijn schouderbladen. Ik ben er niet, deze muren ook niet. Zelfs het licht niet. Wat is er dan wel? Niets dan treurnis en verdriet. Maar meteen daarna glimlachte ze, en wees met haar rechterwijsvinger naar haar navel.
‘Kijk’, zei ze, ‘kijk wat ik voor jou heb meegebracht.’
Ik keek, en zag een zachtjes ingedrukte navel – alsof de top van een kinderduim er een voorzichtige afdruk had nagelaten – en een zacht, rimpelig eruit stulpend velletje dat door een mysterieuze wind werd bewogen, zwol en harder werd, naar de hemel priemde, als een vlaggenstok, een vlaggenstok waaraan een horizontaal, strak gespannen en in een scherpe punt eindigend vaantje hing: het zegevierende vaandel van de kracht, de hoop, de zon, de ontembare levensdrift.
‘Sta op, en volg me naar de sacristie’, zei ik.
‘Waarom?’
‘U bent genezen.’
Ik wachtte haar op in de sacristie. En mijn boosheid met moeite onderdrukkend zei ik:
‘Gegroet, Fidelio, we rouwden om jou. Ik dacht dat je verdwenen was.’
Hij mompelde: ‘Ik ben nu Fidelia, Fidelio.’
‘Nee, dat kan niet.’
‘Ik ben Fidelia. Ik ben veranderd’, zei hij. ‘Ik heb woestijnen doorkruist, vreemde culturen ontdekt. Gewoond bij gekken (in Egypte), gehuisvest bij idioten (dat was in de buurt van Rome), vele kamers van onze grootse kerk bezocht. Verstikkend, Fidelio. Vasten. Ontbering en overgave. Dat heb ik allemaal ingestudeerd. En ook nog Frans, Nederlands, Turks, Italiaans en Arabisch. Ik ken nu alle talen van onze wereld.’
‘O, en ik ken Latijn en Grieks en Aramees. En een mondje Hebreeuws waarmee ik op niemand indruk maak.’
‘Oen! Ik ben nu Fidelia. Voel maar.’
Versteend bleef ik staan, even koud en levenloos als de vloer onder mijn voeten. Zijn mond streek langs de mijne; zijn vlezige lippen hadden een perziksmaak. Maar ik voelde, vlak boven de linkermondhoek, waar de huid al te donzig werd, een baardhaartje, onzorgvuldig afgetapet. En toen ik hem tegen me aandrukte, gleden twee piepkleine ronde, bolle puntjes, soepel en teer als rubberen dopjes, geplaatst op lichtjes gewelfde ovalen platen, tegen mijn borstkas. Ik stroopte zijn slipje af, en zuchtend, met een pijnlijke steek in de borst kneedde ik zijn heupen, zijn billen.
‘Komt u nog?’, vroeg de parochiaan die weerom in de deuropening stond, 'het is Pinksteren.'
‘Nee’, zei ik, ‘ik zocht hem, en heb hem gevonden. Ziet u niet wie hier voor me staat?’
‘Nee’, zei hij, ‘en het is werkelijk ongehoord dat u net nu de gelovigen aan hun lot overlaat. Waar blijven uw opbeurende woorden? We zijn mild geweest. U hoefde enkel af en toe een mis op te dragen. Verder lieten we u met rust. Het weinige wat we van u vragen, doet u niet. Smaad aan de kerkfabriek. U krijgt er drie maanden bovenop!’, riep hij, en pas was hij de deur uit, of er klonk gestommel. Mijn hele lijf rebelleerde en de anders zo lege en stille sacristie kraakte en beefde als een schip dat aan zijn eerste rondvaart begint. Toen brak de hemel open.
‘Kijk, hij is terug!’, riepen Fidelio’s broers die zich jarenlang in de kasten hadden verstopt en er nu uit tuimelden, komisch uitgedost als prelaten en vicarissen. ‘Semper fideles!’, juichten grote, donkere vrouwen, die uit lage kasten stapten. Ze waren verpakt in kleurige manipels en liepen naar me toe als wandelende, met feestelijke linten omhangen geschenken.
Fidelio schreeuwde, met een wijd opengesperde mond die gigantisch werd, een trechter waarin ik verdween:
‘Zij weten het! Ze weten alles! Wie ik ben, Fidelio, Fidelia, dat jij mijn minnaar en minnares bent. Geen leugens meer!’
Ik keek om me heen: ik was weer omringd door goedlachse gezichten, hemelse schouders en wonderlijk mooie sleutelbenen. In stoet, met kaarsen in de hand, zingend, en af en toe halt houdend om een stukje brood te graaien, een fles wijn aan de lippen te zetten, liepen ze – met de schouders bloot en hun naakte borst uitnodigend naar me toegewend - de gang op, naar de badkamer.
‘Je moet je wassen’, zei Fidelio, en hij trok ruw mijn kleren uit en propte ze in de wasmand.
‘Inzepen met nardus en melk en honing!’, zeiden zijn fijn besnaarde broeders die me een bord vol glimmende appelen aanboden.
‘Open je mond!’
Ze poetsten mijn tanden, en hun armen onder mijn rug uitstrekkend, als was ik een schaal die men voorzichtig optilt en naar een feestelijk gedekte tafel brengt, droegen ze me voor zich uit, gehuld in een hagelwitte kamerjas, en legden me behoedzaam in bed.
Ik wachtte, beschroomd, bevreesd. Als een bruidegom was ik, zedig verscholen achter het gordijn dat aan het met festoenen opgedirkte baldakijn is vastgeknoopt. Goudkleurige slingers lagen als rillende slangen over de dekens uitgerold; in platte schalen brandden mauve, smalle kaarsen met lange, kronkelende, crèmekleurige wieken; twee stoelen, ondersteboven gekeerd, staken hun poten als stierenhorens in de lucht. Door de openstaande deur hoorde ik iemand een urenlange douche nemen. Het water drupte met moeite uit de verkalkte douchekop.
Ach, Fidelia, o, Fidelio, dacht ik, kom je nu? Jou heb ik altijd gewild, geen ander dan jij. De wolkjes die aan mijn mond ontsnappen wanneer ik in bed lig, ijskorstjes vormen op het laken onder mijn kin, de kille afdruk van een man die met een afwezige blik op me wacht en snel uit bed springt wanneer ik in bed ga liggen, jouw heupen waarvan ik enkel de omtrek zag, je benen en kuiten die steeds voor me uit liepen, een onvindbare hoek van de donkere gang in, dat roze schaaltje aan de voet van mijn bed met daarop een langzaam rottende granaatappel, waaraan heb ik dat verdiend?
‘Het is lente!’, riep iemand in de douche, ‘de bossen rukken op, stil, en wacht niet meer, de eenhoorn geeuwt in haar schoot!’ De klokken begonnen driftig te luiden. ‘De leeuwin heeft een welp geworpen, zie hoe fier het lam de wolf verscheurt!’, riep een andere stem. ‘Welke hinde nadert de poorten en is sneller dan mijn bevallige Fidelio?’, riep een derde iemand en in koor zongen alle anderen: ‘Ik smacht naar hem als naar een toren, gisteren een tent zonder bewakers, een koning zonder zonen, vandaag een storm van klaterend water!’
Een kraan werd opengedraaid; wasteilen werden tot de rand gevuld met stormachtige waterstralen. Iemand sloeg met natte handdoeken tegen de wanden. Lachsalvo’s weerklonken. Ja, vrolijk lachend, leuke deuntjes neuriënd en af en toe de washandjes en handdoeken tegen de muur gooiend als om er wanden mee te behangen wasten onze broeders en zusters Fidelia, tot ze ook haar binnenbrachten, schommelend op een cederhouten plank, eveneens in een witte kamerjas, met een rood, fluorescerend hartje ter hoogte van het borstzakje gespeld. Met één voet in bed, de andere nog op de grond, liet Fidelia de kamerjas openvallen, zodat, toen ze over me heen boog, haar elegante, slanke been als een ivoren mes door de lucht zweefde.
‘Fidelio, Fidelia’, stamelde ik
‘Fidelio’, kreunde hij, ‘mijn lieve, trouwe Fidelio.’
Lenig kronkelden we over elkaar. Tersluiks keek ik naar de spiegel naast het bed: we vloeiden in mekaar over, en werden één enkel zwetend, kirrend lichaam.
Op deze zalige, onverwachte bruiloft volgden de bekende hondsdagen. Het gekibbel: wie waste wie, wie gaf wie een verwenbeurt? (We probeerden de taken billijk te verdelen.) De plagerige verwijten: ‘Je bent egoïstisch, eigengereid, gevoelloos.’ ‘Jij bent dat!’ Het urenlang gniffelend spelen met de staven, ringen en zalfjes die de lust tot in onze nekhaartjes deden zinderen. Een duif die verwijtend roekoede in het gebinte van de kerktoren. De donkere gangen, de voordeur waarvan het slot rammelde, alsof iemand urenlang op de loer lag, net nu wilde binnenstormen en ons betrappen. De samengekoekte honig die aan zijn wangen bleef kleven nadat hij met zijn hoofd boven mijn trillende benen had gehangen. Zijn rood aangelopen hals wanneer hij met zijn kleine, amper voelbare borsten over mijn roerloze lichaam wreef. De vragen die ik me stelde, en die geëchood werden door de vragen van een bijzonder nieuwsgierig iemand:
‘Wie is die Fidelia waarover u het zo vaak hebt?’
‘Mijn vriendin.’
‘Ach zo, uw vriendin.’
En dan, loensend, gemoedelijk schertsend:
‘Is ze nu man of vrouw?’
Indien ik zei: ‘Beiden’, geloofde hij me niet. Indien ik zei: ‘Man’ of ‘Vrouw’, loog ik.
‘Ach, u hoeft niet te antwoorden. We zijn godenkinderen. Niets van het menselijke lichaam is ons vreemd.’ Maar dan: ‘Waarom zien we u nooit samen?’
‘Omdat Fidelia, weet u, mensenschuw is.’
‘Ach, zo dus.’
‘En ze wil mijn reputatie niet in gevaar brengen.’
‘Ach zo, eerwaarde, ach zo dus, uw reputatie’, klonk het, met een zweem van twijfel, en dreiging in de stem.
‘Maar er valt niks te vrezen’, vervolgde ik, ‘ze is mijn vriendin – zondermeer, begrijpt u? Vriend en vriendin: een kompaan die omhelst, troost en koestert.’
‘O ja, dat wil ik best aannemen. Maar terzake. Er zijn brieven, stapels brieven. Ik heb ze bijgehouden, ik heb er een elastiekje omheen gewonden.’
‘Mooi zo. Handig is dat. Elastiekjes? Brieven, zei u, stapels brieven?’
‘Van mannen, vrouwen, kinderen, met opmerkingen in. Brieven die het vermoeden wettigen dat u niet zo heel erg ongevaarlijk…’
‘We leven in een sinistere wereld’, beaamde ik.
Uit een kluisje dat hij op zijn rug droeg, als een bult, verborgen onder zijn strak zittende leren jekker, haalde hij rapporten, bewijsstukken, netjes genummerd en voorzien van talloze stempels en zegelafdrukken.
‘En dan zijn er uiteraard nog de vele intense, interne onderzoeken’, zei hij, ‘in stille kamers waar discretie heerst. Die houden onze oversten bij. Ben ik even voor u uit de zwaarbewaakte kamer van het diocees gaan halen. Wat lees ik erin? Uw aanwezigheid in voetbalkantines, op sportpleinen, in bars waar dames nachtenlang voor rood- en blauwverlichte ramen zitten, uw uitjes met vrouwelijke communicantjes met een merkwaardig lage, diepe stem, uw talloze plezierreisjes in dit piepkleine landje, ontelbaarder dan uw vele overplaatsingen. En dus, Fidelio – of hebt u liever dat ik u Fidelia noem? – waar ligt voor u de grens? Die brieven, we vergeten ze. Aantijgingen uit een ver verwijderd schoolverleden. Verjaard, vergeten. De rapporten rusten als geheime formules in de kluis van onze rood gekapselde overste tot... nou, tot de tijd ze uit naastenliefde voor u vernietigt. Weg met de oude, zondige mens! Gooit u hem over uw schouder heen, als een afgedankte huid.’
‘O, ik heb mezelf allang vergiffenis geschonken’, zei ik, ‘ik ben verlost. Rancuneus ben ik niet.’
‘Maar de toekomst, wat doen we daarmee? U, Fidelio, Fidelia, en al die dossiers vol duistere benauwenis, eenzaam verlangen en pittige details die ik met de nodige afgunst lees, nou, dat is één zaak, maar u, als priester…’
‘Nooit, hoort u, nooit zal ik nog een misstap begaan.’ (Ik legde zoveel overtuiging in mijn stem dat ik plots weer in mezelf geloofde.)
‘Waarom niet?’
‘Drie redenen, mijn waarde. Geen kracht meer, wat heet: verslapte vermogens. Hekel aan wat duister en onoprecht is. En iets ergers nog: Fidelia zou het me niet vergeven.’
‘Fidelia, ja, alles voor Fidelia, hondstrouw tot in de dood?’
‘We zijn onafscheidelijk’, zei ik, ‘waar zij is, zult u me vinden. En ik ben intussen een rijp, evenwichtig man. Hoe zei u weer dat u heette?’
‘Een vriend’, zei de man, terwijl hij oprecht (maar wat is oprecht?) naar me glimlachte. Bescheiden pakte hij zijn mijter af. En voor de spiegel draaiend als een marionet wees hij naar de kratten wijn die onder de berg paramenten en ongewassen kleren gekropen waren, naar de lege flessen die stilletjes waren weggerold, zich in de hoeken tegen de kasten hadden verschanst maar in de avondschemering schuldig glinsterden, naar de kurken die met ingehouden adem in de leeggehaalde laden bloosden.
‘Zal ik u helpen?’, vroeg hij, ‘uw geest, uw gedachten fatsoeneren?’
‘Nee, gaat u maar, gaat u nu’, zei ik, ‘ik ben verloren. Laat mij en Fidelia met rust.’
‘Je houdt van mij’, fluisterde Fidelia toen ik, achter de man aanlopend, plechtig, ingetogen en zo schuldbewust mogelijk de gang opliep.
‘Waak, huil en rouw. En met de vriendelijke groeten van onze heer’, zei de man terwijl hij, naarmate ik dichter bij mijn kamer kwam, in de kille gang achter me oploste en door de wanden heen andere, gezelliger, dichtbevolkte huizen binnenstapte. Ik ging rustig op bed zitten wachten tot de deur op slot werd gedaan.


VII


Toen ik die nacht drijfnat van het zweet wakker werd, zat Fidelia op de stoel naast mijn bed, vlak voor de spiegel waar we zo vaak voor speelden, zijn voeten behaaglijk onder de dekens geduwd. Een kaarsvlam verlichtte de helft van zijn gezicht.
‘Fidelio, Fidelio’, fluisterde hij samenzweerderig, ‘we houden van elkaar. Dat heb je vandaag bewezen. Ons ontbreekt nog één ding. Dat je wordt zoals ik.’
Hij boog voorover, zijn gezicht werd donker en beangstigend.
‘En dat kan’, zei hij sussend, ‘in Spanje, lieverd. Ik heb genoeg geld gespaard. Niet bang zijn. Het duurt maar even.’
En na een lang en pijnlijk verblijf in een ziekenhuis waar enkel Fidelio’s en Fidelia’s worden verpleegd (in een dorre vallei vlakbij Salamanca waar ik ook op een congres was uitgenodigd, en tijdens de boeiende uiteenzettingen treurig uitkeek op heuvels bezaaid met cactussen en citrusvruchten), werd ik op mijn beurt een Fidelia.
Met tranen in de ogen om wat ik had achtergelaten, maar reikhalzend naar mijn lief, keerde ik terug naar Brussel. Maar toen ik thuiskwam, merkte ik dat mijn geliefde een Fidelio was geworden. En weer stak Fidelio me geld toe. En toen ik opnieuw naar Spanje ging en terugkwam, was hij weerom Fidelia geworden! En weer ging ik naar Salamanca (er viel veel te bespreken met mijn collega’s) – en weer was hij Fidelio geworden.
Ten einde raad vroeg ik hem:
‘Ben ik nu Fidelio of Fidelia?’
‘Beiden’, zei hij troostend.
‘Waar ben ik?’
‘Hier. Vlak bij me. Je hoefde niet zo ver te reizen om me te vinden.’
‘Als ik naar je kijk, zie je er steeds anders uit…’
‘Hou op met naar de vloer te staren.’
‘Terneergedrukt, hoor je, terneergedrukt word ik van je. Waaraan zie ik dat je er bent? Aan de sporen van het bloedbad dat je hebt aangericht. De besmeurde lakens met bloedvlekken die je met je speeksel uitwast en waar je zout op strooit; de afdruk van je karmijnrode mond op mijn hoofdkussen (je lag schuin bovenop mij); de wilde plooien in het beddenlaken waar ik urenlang naar staar; de kleenex naast het bed, de reeks gedempt ogende eyeliners en de staafjes met mascara op het nachtkastje; de pruik op het uitdrukkingsloze gezicht van een etalagepop; jouw kleren, links in de kleerkast, frivool, kleurig, heerlijk geurend naar jasmijn, en rechts ervan de mijne, zwart en uitgestald op een bedje van sombere planken; je lijf, mannelijk vanaf je tenen tot je navel, discreet en opwindend vrouwelijk van je navel tot je hals; dat haarscherpe beeld dat ik van je heb, bewijst toch dat je bij me bent? Waarom zie ik je dan nooit?’
‘Hier, een knuffel’, zegt hij.
‘Hou je van mij?’
‘Ik ben bij je, altijd bij je, Fidelio.’
Hij legt zijn linker- over zijn rechterbeen, buigt zijn hoofd naar voren, knippert met zijn ogen. Nadat hij me een tijdje indringend heeft aangekeken, legt hij zijn handen in zijn nek, en duwt zijn zachte, lieve borst naar voren. En die lange, valse zwarte wimpers van hem: ik hoef er maar even naar te kijken of mijn spieren buitelen, mijn hart zet uit en ik verlang maar één ding: hier en nu in een bad drijven dat tot op de rand gevuld is met vlokken dik, plakkerig schuim dat geluidloos uit onze lichamen spat, vanop de bodem van ons verdriet, vanuit het diepste puntje van onze ziel.
‘Die tijdelijke verwijdering, quarantaine noemt die man dat – vind ik absoluut niet leuk’, zeg ik. ‘Ik mag zelfs geen congressen meer bijwonen.’
‘Mok niet, je verveelde je, niet? Je liep er duistere herbergen en drukke discotenten binnen. Wie doolde 's nachts op straat? Wie droomde van wat nu eenmaal niet mocht?'
'Ik', zeg ik, 'ik - of was jij dat?'
'Nou, en met wat goed gedrag...’, en hij kijkt me koket in de ogen, ‘hoe zie ik eruit?’
‘Leuk zag je eruit, gisteren, met dat korte rokje, en die panty’s. Waar heb je ze gekocht? Je zag er net zo uit toen je me naar Spanje stuurde.’
‘Tja, Spanje’, zegt hij, met een gebroken stem, ‘dat ziekenhuis, dat was me wat.’
‘Heb je nog iets anders gekocht? Iets leuks, dat je me absoluut wilt tonen?’
‘Foute vraag.’
‘De wimpers, ja, de wimpers waren donkerder. Is het dat? En ook het tepelhof. Lijkt me groter geworden. Druk er even op. Nog altijd even gevoelig, Fidelio? Want ik heb me laten vertellen… En je hebt een stukje van dat navelvelletje laten weghalen. Dat zie ik nu. Had je ook geen vetrandje? Is plotseling weg, lijkt me! Het is hier wel erg donker. Je lijkt zo gespierd! Je frons in je voorhoofd, de vouwen in je wangen – als bij wonder zijn ze verdwenen. Jong en sterk zie je eruit. Jong en vrolijk. Zo vrouwelijk. Nooit heb ik je zo mooi gezien. Duur, peperduur is dat.’
‘Ach, valt wel mee.’
‘Ja, en je zat net voor diezelfde spiegel, in precies dezelfde houding.’
‘Zo?’, vraagt hij, met die frisse, uitdagende blik van hem. Hij glimlacht. Ik kijk naar zijn gave, witte tanden maar hij spreidt zijn benen, wrijft met zijn hand van zijn navel tot zijn bilnaad, laat zijn hand terug naar boven kruipen, zijn vingers gebruikend als de poten van een teder, traag insect, pakt de stof van zijn broek samen ter hoogte van zijn kruis en maakt er een soort zak van, een derde broekzak die hij uitrekt, strak naar boven gericht houdt, terwijl hij me van onderaf aankijkt.
‘Ja, zo, precies zo’, zeg ik, ‘God, wat word ik gek van jou.’
‘Ik verveel me’, zegt hij.
Ik ijsbeer in de lege sacristie. Ik leg mijn wang tegen de wang van een polychrome engel en hoor de wormen gaten boren in het hout. Ik heb, na een gevaarlijke tocht tot in de klokkentoren, de klepels uit de klokken gehaald. Soms pak ik een lepel en leg hem op het hoofdkussen, met de holle kant (zijn wegijlende gezicht) naar boven, rustend op zijn bolle achterwerk. Als je rond zo’n lepel loopt zie je eerst jezelf, en dan je minnaar, die rechtover jou staat en precies zoals jij vooroverbuigt, achteruit wandelt, maar naar links uitwijkt als je naar rechts wilt, en omgekeerd.
‘Waar ben je nu? Zie je wel’, zeg ik, ‘je wil me niet.’
‘Jawel’, zegt Fidelio, ‘kijk, nu buig ik voorover. Kijk, je voorhoofd smelt samen met het mijne. Twee in één. Mooi niet?’
‘Ja, best leuk, maar, kijk: nu ga ik naar links, en jij naar rechts.’
‘Nee, het is net omgekeerd. Ik wil naar jou, jij loopt van me weg.’
Zo kibbelen we, tot we uit elkaar gaan, hij naar rechts, en ik naar links, elk een donkere hoek van deze kamer in, en elkaar een week later opnieuw ontmoeten, telkens op deze plek, hier, op dit wonderlijke bed.


VIII


Sinds kort zit ik elke avond, in hurkzit, op de richel van de klokkentoren.
Ik zeg: ‘Fidelio’, en ramen waaien open, drempels zinken weg, meubels krullen ineen, en zaagsel en het stof van verkruimeld beton daalt als een droge, prikkelende regen neer op de stad.
‘Fidelio, Fidelia’, zing ik, en die gemelijke parochiaan komt over de daken naar me toegelopen, met zijn rinkelende bos sleutels in de hand. Wolken verstrakken tot harde, klinkloze deuren die hem de weg versperren en, abrupt naar elkaar toe wandelend, tot een haardunne streep pletten. Meteen daarna zie ik – uit die streep, die als een fontein begint te sproeien - goudkleurig krulhaar groeien, monden met getuite lippen zweven. In een krans daaromheen zie ik blozende wangen, jonge schouders, verpakt in violette luchtbellen.
Ik dans, één voet in de verpeste lucht, de andere steunend op de rand van het dak.
‘Wist je dat je mooi bent: in profiel, in vooraanzicht, op je rug, je billen? Alles is symmetrisch aan je. De gulden snee, Fidelio, je lichaam is…’
‘Bah, kan ermee door’, zegt hij.
Hij zit op de dakrand, zijn benen bengelend in het ijle.
‘Geef me die bril van je’, zegt hij, en veegt mijn brillenglazen schoon. Zoals altijd is hij van een transparante schoonheid; ik kan amper de contouren van zijn gezicht zien.
‘Je bent zo’n knappe man’, zegt hij, ‘waarom hou je je verborgen? Vlucht, leg wat gloed in je ogen, daal van dit dak af, loop de straat op, de bars, de verlaten pleintjes en parken in. Vlakbij ligt een parking met auto’s waarvan de bestuurders op je wachten. Het is vertrouwd terrein voor jou.’
‘Dat wel. Vertier genoeg. Maar, weet je...’
‘Wat houdt je tegen? Ga, en onderwijs in scholen. Gids je koorknaapjes, leer ze de polyfonieën van de oude meesters: wang is zij, is heup is kuit, is klankkast van je verlangens. Verblijd wie weerloos is. Troost de weduwen, blaas nieuw leven in oude ledematen. Ontredder wie naïef is. Open de deur van dromenland (je raakt er binnen via een kastdeur op vergeten zolders) en verspreid er de lucht van pijn en eenzaamheid. Je bent als een slimme, vindingrijke held zonder neus (laat hem weer aangroeien, Fidelio, zich in alle uithoeken en verborgen kamers van de trieste mensheid wurmen!) als je de ongeremde, niet-kieskeurige, schetterende liefde niet kent. (Ik hoorde in de verte trompetten en cimbalen.) Hoor ze! Hoor die liefde, en breng ze naar de mensen! Vervang vervulling door somber wantrouwen en teleurstelling. Zie, een nieuwe dag breekt aan. Maak wrang wat lekker was, bitter wat zoet was. Wat ben je zonder gretige, gulzige liefde, wat moet de wereld zonder jou – leven is liefde, hier, je bril. Geef me je hemd. Bah, heel vies hoor, zo’n vettig boordje. Wie wil nou iemand met zo’n boordje… En dan, die haren, te lang, Fidelio, zo vet, zo lang…schrikt elke minnaar van.’
Zo keuvelen we met elkaar, als oude vrienden die niks voor elkaar verbergen. En filosoferen over de taken die me wachten.
Plotseling staat hij op en zinkt, vederlicht en als een schim, doorheen het dak naar de zolder. Daarna daalt hij verder af, doorheen het parket, het plafond, behendig dit huis in- en uitglijdend langs kroonlijsten, luchters, water- en afvoerbuizen, en hoe dieper hij daalt, hoe lichter en doorzichtiger hij wordt. Tot hij over de koude vloer van de hall loopt als een wolk, tegen een gelakte kast leunt en begint te glanzen en de spiegel aan de overkant weerkaatst, onder de deur kruipt en wegzinkt in de ruwe, geribde betonnen drempel voor de voordeur.
Meteen daarna zit hij weer op de dakrand alsof er niets aan de hand is.
‘Luister’, zeg ik, ‘reikhals jij ook naar die ene, hoogste plek, waar alle daken en verlangens samenkomen, waar alles één hemel, één hel is?’
‘Ik zoek ze, die plek, dat weet je. Waar is ze? Weet jij dat soms?’ (Ach, Fidelio, lieve, lustige Fidelio, doe nou niet alsof je daar maar ook ene moer om geeft!)
Ik zet een stap naar voren, één voet hangt in de ijle lucht. Ik strek mijn been uit, mijn schoentip verdwijnt in een grijzige mistwolk, tast al vooruit naar het ruimteschip dat straks tegen de gevel zal aanmeren en mij over de koepels van deze stad zal voeren, voorbij de planeten, de rommelige vuilnisbelt, het firmament.
‘De eeuwigheid, Fidelio, ooit al van gehoord?', vraag ik. 'Daar gaan we heen. Voor altijd samen, als dartele vlinders die de zon verschroeit tot – tja, tot wat?’
‘Dat ouderwetse hemdje - uittrekken!’, commandeert hij. ‘Is voor ouwe mannen. En geef me je broek.’
‘We boffen’, zeg ik, en terwijl ik met de helft van mijn voet op de dakrand sta, zeg ik, zonder pathos en zelfbeklag: ‘Waar jij bent is niemand tenzij wij twee. Ik ga nu. Voorbij die dakrand ligt de echte wereld. Vaarwel. Zonder jou had ik nooit die stap gezet.’
‘Weet je, zo’n ribfluwelen broek’ – hij zit nu in kleermakerszit, een vervaarlijke schaar, twee vingerhoedjes en drie naalden met somber loerende oogjes liggen op zijn kruis – ‘passé is dat, jaren zeventig, liefje. Vort, ga een andere broek halen. Geen jeans. Maakt van jou een overjaarse hippie. Leg die fles neer. Trek die witte onderbroek uit en ga een tanga halen. Gooi die trieste zwarte schoenen en die beige sokken weg, daar (hij wijst naar de straat voor ons), en doe je witte stool om, staat je goed.’
En ik, die daarnet nog zo dicht bij huis was dat mijn kruin de liefdeshemel raakte, ik die daarnet zo licht als een veer was die een loflied op wolken krast, ik kruip traag door het zoldergat naar beneden, daal teleurgesteld, mijn zware, verbitterde lichaam achter me aansleurend de trappen af van dit grote, koude huis. En wanneer ik in mijn slaapkamer ben, de kleerkast open, mijn stool en tanga aantrek, komt hij vrolijk uit een hoek tevoorschijn, ramt de deuren dicht, joelt: ‘Surprise!’ terwijl hij mijn hoofd in het hoofdkussen duwt.
‘Wie boven was, is nu beneden’, schreeuwt hij. ‘Buigen, op je knieën, vlug wat!’.
‘Lieve, lieve Fidelio’, smeek ik, ‘zullen we straks samen slapen, lief en zedig, rug tegen borst en mijn hand op je schouder, zoals vroeger?’
‘Nee, dat wil ik niet.’
Hij duwt zijn knieën in mijn knieholtes (zijn knie past perfect in de mijne).
‘Ontspan je billen!’
Ik strek mijn vingers, aai zijn hand, kus de binnenkant van zijn elleboog terwijl hij een flesje met een amberkleurige vloeistof van het nachtkastje pakt.
‘Wacht, wacht! Zullen we eerst nog iets lekkers drinken’, vraag ik, ‘voor we samen springen?’
‘Stil. Mondje dicht. Meer naar voren buigen.’
Hij brengt de hemelse vloeistof aan, laat zijn hand naar voren glijden (zijn hand voelt exact wat de mijne voelt), in een winkelhaak: van de billen naar de naad tussen de benen en dan weer naar boven, op weg naar de navel.
‘Rustig, rustig’, zeg ik, ‘het kan ook trager, lieverd.’
Luisteren doet hij niet, hij heeft het druk met strelen, hijgen, knijpen, kneden.
‘Hoor je dat?’, vraag ik, ‘dat geritsel en geklingel? Alsof iemand het slot van de voordeur openwrikt. Is veel opwindender dan jouw vingers. Luister! Stemmen, gestommel. Er komt iemand binnen… Stilte. Die stilte, weet je, soms vraag ik me af… Kratten leegte zijn dat. Dons, dik, pluizig dons waar je niet doorheen raakt. Wijndruppels zwevend in het luchtledige. Zoveel deuren! Hoe lang zal ik hier blijven? Opgesloten in een lijf dat niet het mijne is. Is dit een verdiende straf? Het is hier zo donker, Fidelio. Een gapende opening tussen de sterren. De buik van de wanhoop. Schouders die in het ijle dwalen. De wanden, vol met verwijtende, sombere ogen. Die lage, donkere ramen…’
‘Niet zeuren. Ga maar liggen’, zegt hij en knielt naast het bed neer. Met zijn hoofd in de lakens streelt hij over mijn blote rug, masseert mijn schouders, tilt mijn been op, het linker-, dan het rechterbeen, omzichtig strijkt hij er alle hoop uit, drukt zijn lippen op mijn voetzolen, speelt met mijn tenen.
‘Hoor je dat gemorrel, dat geschuifel? Ze komen me bevrijden.’
‘Nachtbrakers, of inbrekers’, zegt hij nuchter.
‘Of mijn bewaker, die parochiaan…’
‘Op dit uur is die man al lang gaan slapen. Kom, knielen!’
‘Moet dat echt?’
Zijn handen gaan wild tekeer.
‘Nee, streel me, Fidelio. Strelen, strelen, lieverd, dat heb ik liever, echt, Fidelio. Strelingen, Fidelio. Geen treurnis, geen verdriet. Niet zo wrijven, niet pijnigen…’
Zijn handen rusten op de kromming van mijn onderrug. Ze worden zwaar, dan vederlicht, alsof ze niet meer opgetild, nooit meer verwijderd kunnen worden: ze strelen niet meer; ze zijn in mijn rug gezonken.
‘Waar ben je?’, vraag ik.
‘Nu? Nergens, nergens meer!’
En ik hoor enkel nog de wrede lach van Fidelio – zijn lach die, daarnet nog schril en hoog, in een lege kast kruipt en erin verstomt.


IX


Ik ben de afgelopen dagen een en ander uit de kerk gaan halen: een retabel (iemands ingewanden worden uit zijn buik getrokken en om een katrol gerold); een paneeltje waarop een bloedend hart staat afgebeeld; nog eentje met een verse zijdewond; de in eikenhout ingelijste geborduurde lapjes stof voorstellende spijkers, hamers, hysopstengels, dobbelstenen, zweetdoeken, zwepen en speren; het beeldje van een door bittere pijlen doorboorde, naakte martelaar (wulps beeldje dat me vroeger inspireerde); en zopas nog de tafereeltjes van de passieweg. Ik heb die sombere kunstwerken in een hoek van de kamer gelegd, aan de voet van zwijgzame, levensgrote heiligenbeelden die met hun rug naar me toe extatisch naar de spinnenwebben staren.
‘Zou hij het me kwalijk nemen, denk je?’ (We zitten, uitgeput na deze ingrijpende verhuizing, onder een dikke laag stof en kalk, angstig tegen elkaar aangedrukt, op mijn bed).
‘Wie niet? De kerk is wel heel sober nu.’
‘En die stukgeslagen stoelen?’
‘Komen je op een paar bijkomende maanden te staan.’
‘Dat altaarblad?’
‘Die scheur bedoel je? Die ongelukkige hamerslag? Een jaar, schat ik…’
‘Die grafsteen…’
‘Van die bisschop?’
‘Ja, en ook die van die kardinaal.’
‘Minstens zes maanden. Zonder uitstel, Fidelio.’
‘En die hoeksteen, heb ik met mijn blote handen losgewrikt...’
‘Een steen is maar een steen.’
‘O, en dan is er ook dat vuurtje nog, die biechtstoel...’
‘Onvergeeflijk.’
‘Vrienden’, zeg ik, ‘dat hebben we nodig. Of minstens één enkele goede, betrouwbare vriend.’
‘Die heb je’, zegt hij, ‘dat ben ik.’
‘Huwen zit er niet in.’
‘Had je geen kinderen?’
‘Ze houden van andere vaders.’
‘Kleinkinderen?’
‘Allicht. Maar enkel de lasten, nooit de lusten.'
'Tja', zucht hij.
'Geen pakjes onder de kerstboom, Fidelio, nooit. Geen familiekiekjes op de commode, geen albums in kartonnen dozen. Geen vrolijke zoektocht naar felgekleurde eieren in lommerrijke struiken. Dat gunnen ze me niet, Fidelio. Word nergens uitgenodigd. Ik heb ontelbare families met ondankbare familieleden. Geen ontroerend gesnik, vooraan in de kerk, om de lieve, onvervangbare opa wanneer ik doodga. En ook geen lof van het moederschap. Te duur, Fidelio, zo’n operatie.’
Hij grabbelt onder het bed, steekt een kaars aan, zet ze op de grond neer, gaat bij het retabel zitten. De vlam werpt wispelturige lichtvlekken op de spiegel. En nu hij, komend vanuit de schaduw die als een dikke deken rond mijn schouders ligt, vooroverbuigt wordt zijn neus, die ik tot dan toe strak en welgevormd vond, met zijn dunne, haast doorschijnende neusvleugels, dik en vlezig, bezaaid met kloven en zwarte kraters. Zijn frisse bolle wangen zijn rood dooraderde hangwangen; de aders om zijn hals spannen op tot dikke touwen.
‘Ach Fidelio’, zegt hij, ‘al die lange, kostbare, verloren jaren.’
‘Mijn schuld, mijn grote schuld.’
Zijn grauwe hoofd hangt vlak voor het mijne. Ik knipoog; hij knipoogt met zijn andere oog. Ik sper mijn ogen open en zie twee waterige ogen die me beloeren: in het linkeroog, donkerbruin, lees ik kil, somber ongeloof; in het andere fletse oog licht nu en dan een vaalgeel vlekje op: het weinige wat rest van de zon die in hem gloeide.
‘Verliefd zijn ze’, zeg ik, ‘ginds, luister toch! Voor de deur staan ze, Fidelio, tegen elkaar aangedrumd.’
‘Wie, Fidelio?’
‘Je broers en zussen. Hun voeten tikken ritmisch op de grond. Hoor je dat? Met hun vingers schrapen ze de muren weg, ze begieten ze met de tokkelende regen, zodat de wanden mals worden als deeg; die zullen ze met één hand tot grote broden kneden. We worden weer vrijgevig, Fidelio, laten armen in onze overdaad delen. Zie, hoor, de straten versmallen, staan op, zonder stoepen en verlichtingspalen, vormen één royale brede baan. Hoor ze zingen! Ze pakken fakkels en toortsen, al dansend beuken ze ramen en deuren in. Glazen, flessen, gloeilampen spatten uit elkaar. Een opstand, een voet, hier in de muur, een hand en rijen speels strelende vingers. Bruiden en bruidegoms, bruidsjonkers en bruidsmeisjes die de revolutie prediken. Ze missen me, Fidelio, meer nog dan ik hen mis; grenzeloos verliefd zijn ze!’
‘Hou op!’, en hij sleurt me van het bed af, laat zich op me neervallen, streelt en knijpt en krijst (even luid als ik), en in een verblindende orgie van pijn en treurnis druppelt een laatste straaltje vergeefse liefde op de koude zwarte vloer.
‘Grenzeloos verliefd? Vruchteloze, verboden liefdes’, zegt hij, terwijl hij van me af rolt en voor me gaat neerzitten, ‘trieste liefdes, die wil je, die krijg je. Heb je ‘t nog altijd niet door?’
‘Nee, luister!’ (Ik kijk in de richting van de voordeur, zijn hoofd draait precies dezelfde richting uit.) ‘De klop op de deur, de klank van verlangen, wat een drukte, ze zijn gehaast - hoor hun gemis, hun nood, lieverds die binnenkomen, zich in de gang wurmen...’
Hij kruipt het bed op, legt zijn hoofd op mijn schouder, ik koester hem, streel door zijn warme, zachte haar.
‘Bovenal bemin de ander’, zegt hij, ‘en niet jezelf.’
‘Doe ik dat dan niet?’
‘Het kan niet en het mag niet, Fidelio.’
‘Wat mag er niet?’
‘Je zegt het maar doet het niet’, fluistert hij.
‘En gisteren zei je nog: je doet het maar zegt het beter niet.’
‘Nee, gekkerd, dat heb je met die mooie, opgewonden oortjes van je weerom verkeerd begrepen.’ (De geur van zijn haar. Dat sublieme, verleidelijke lachje van hem.)
‘Wat moet ik doen? Liefde ben ik, liefde wil ik, mijn hele lijf is dat: grenzeloze, onbegrensde liefde...’
‘Nou, we worden gewoon tot elkaar aangetrokken omdat er niemand anders is’, antwoordt hij koeltjes.
‘Innig verbonden, en toch alleen. Dat is ons devies. Niks blijft, niks telt’, zeg ik, ‘behalve dat we van elkaar houden. Als alles wegvalt, is er nog liefde. Jouw wangen zijn de mijne.’
‘En verder?’ (Dat sceptische toontje van hem!)
‘Ach, ik weet het niet. Ik zei maar wat. Laat ons hier voorlopig zo blijven zitten, voor altijd samen. Weet je, dan vinden we hier, in deze kamer, wat we later zullen missen.’
'Later?'
'Het hiernamaals, Fidelio. Wat komt wanneer we weg zijn.'
'Ach ja, natuurlijk, Fidelio.'
Hij zwijgt. En even later (soms, wanneer ik hem zo in mijn armen neem, als een man die vriend, zoon en minnaar is, begrijp ik dingen die ik anders alleen maar vermoed): ‘Wij samen, zo, jij en ik: is dat geen nieuw, hoopgevend geloof?’
‘Bakerpraatjes, zinsbegoocheling’, zegt hij.
Straks glipt hij weer weg, is hij misschien voorgoed verloren.
‘Goed’, zeg ik. ‘Dan blijft er over: vluchten, nu, of springen.’
‘Vluchten? Dat durf je niet.’
‘Springen, Fidelio.’
'Waar en hoe, Fidelio?'
'De trap, het dak, een sprong, een bed van stenen...'
‘Dat durf je ook al niet. Wat ben je laf en hopeloos, hopeloos naïef!’, schreeuwt hij nog, voor hij plotseling opveert, mijn kamerjas aantrekt en, zoals zo vaak tegenwoordig, de gang op loopt, en woest, de hele nacht lang, de trappen op- en afloopt.