De stilte van water

Dat hij geil was, zei hij; toeval wou dat ik dat ook was. Hij wist een hotel in de buurt, gaf me het adres en de zaak was geklaard, tijdens de lunchpauze. Hoe alles ineens zo snel kan lopen. En herhaald en herhaald wordt (je krijgt de smaak te pakken). Hij kan er wat van, ik had het nodig.

‘Jij een kind krijgen, van mij, schat? Waar zit het, dat kind van je?’ (De toon waarop hij ‘schat’ zei: alsof ik een puppy ben die de sofa heeft ondergeplast.) Daarna: wilde vrijpartij. Ik kwam uit de douche, hij ging op de rand van het bed zitten. ‘Kom, kom’, zei hij, ‘nog eens, en nog eens.’ Ik liep naar hem toe, liep tegen een kast aan als een blinde, het drong ineens tot me door wat voor waanzinnige situatie dit is. K. Mijnheer K., dacht ik, wat zoek je bij zo’n boekhoudertje van niks?

Ik moest op mijn rug gaan liggen, met mijn achterwerk in de lucht. En ik moest alle gaten open en dicht zien te krijgen, daar keek hij graag naar, zei hij.

Ben gisteravond, op mijn eentje, heel moedig, naar het hotel W. geweest. Was helverlicht, makkelijk te vinden. Stapte zelfbewust op de balie af. Ik zag er de man zitten met wie K. al een paar keren heeft afgerekend. Vroeg hem: ‘Is er nog een kamer vrij?’ ‘Nee’, zei hij, ‘binnen een halfuurtje komt er eentje vrij.’ Toen ik hem vroeg: ‘Herken je me?’, schudde hij van nee.

Op de rand van het bureau, koffiepauze. Ik moet mijn scherm iets naar links draaien, zodat M. me niet ziet schrijven. Doe dat met de hand. Liefdesperikelen optekenen voor het nageslacht. Schreef: waarom, waarom? En: dit is anders. Meestal zo’n anderhalf uur. Geil geil geil. Uitzonderlijk ’s avonds, rond halfzes, meestal ‘s middags (lunchpauze). Dinsdag en/of donderdag. Hij stuurt een sms: ‘Zin?’ ‘Ja!’

Ik hoorde vanmiddag nog M. die zei: ‘Don K.’ – S. was bij haar gaan staan. Ze begonnen ineens gedempt te spreken. En maar roddelen. K. is toch een kaderlid – wat heeft hij bij die prutsvrouw te zoeken, zo’n stom, jong ding nog – dat zag ik die twee dellebellen denken. Soms, als ze zich opschminken voor een drink, als de baas verjaart of zo, lijken het wel opgetutte monsters. Een grote boezem, dat hebben ze, indrukwekkende borsten om iemand mee suf te slaan. Hé, hij laat jullie mooi links liggen! Hij zegt dat ik een mooie rug heb, en een sexy kont. ‘Goddelijk gewoon!’ De rest ‘interesseert hem niet’.

Hij wou absoluut met mij uit eten gaan. Roos op zijn kraag. Telkens wanneer hij zijn mes neerlegt, klettert het tegen het bord. En maar roken en uitpakken met wat hij allemaal kan. Zijn vrouw: depressief. Over die zoon van hem: ‘Een nietsnut. Hij hangt nog altijd aan moeders rokken, en dat voor een jongen van vijfentwintig jaar.’ Hij heeft ook nog twee dochters. Een ervan is een nakomertje, vijf jaar oud. En maar doordrammen, alsof me dat ook maar iets kan schelen!

Laatst werkte de verwarming niet. Ik rilde de hele tijd, van de kou en omdat ik het gevoel had dat hij wel bij mij was maar aan iets anders dacht. Kusjes in de gang, tussen benauwende muren - geil, hitsig klaarkomen in zo’n kamertje - ik kan het niet helpen, ik heb het er moeilijk mee.
Ik steun op mijn ellebogen, en hij zit achter mij, zijn benen tegen mijn billen gedrukt en zijn hoofd zweeft ergens hoog mijn ‘goddelijke kont’, en terwijl hij al het werk doet (ik moet gewoon mijn gaatjes goed openhouden) zegt hij: ‘Dat Frans van je, niet zo denderend. Heb je hier nodig, K. Als ik eerlijk mag zijn, je kunt er gewoon niks van.’

Ik schreeuwde gisteren. Hij legde zijn hand op mijn mond, heel rustig: ‘Stop. Stop. Stop’, zei hij, ‘niet bang zijn. Ik zal je geen pijn doen.’ Ik lig daar soms maar, met mijn armen gespreid, mijn benen wijdopen, en kijk naar de rand van het hoofdkussen. Denk: stel dat M. en S. ons zo vinden –

Die groeiende, zwellende, zegevierende buik van me. Mijn buik groeit, zwelt, sinds twee jaar ongeveer.

Hij kwam me ophalen aan een metrostation, vlakbij huis, de bestemming was een verrassing. ‘Neem maar een hele dag vrijaf’, had hij gezegd. Ik had gedacht: we gaan naar de kust, naar ergens in Limburg, of in Namen, maar hij reed eerst naar Luik, liet me daar in een cafe zitten, liep een hotel in (‘moet hier een en ander afhandelen’), reed terug op Brussel af, tot in het centrum. Ik was te verbouwereerd om wat te vragen. We reden een ondergrondse parking in. Namen een lift, die niet naar buiten leidde maar naar een kleine overloop, waar we op een andere lift overstapten. Die bewoog amper, enkel aan het getingel van een electronisch signaal was te horen dat we verdieping na verdieping hoger gingen. En toen de lift eindelijk stilhield zag ik wanden, bekleed met een soort rood leer; er was een gang, heel licht geschilderd, een koepel, daarboven een blauwe, strakke hemel. Maar het was geen gang, nee – een ‘vestibule’ zei K. – en we liepen een kleine hall in, een stuk ervan was weer met datzelfde soort leer bekleed, als een lambrisering die tot aan je schouders komt, en terwijl K. me uitlegde hoe hij dit had afgehuurd liep ik achter hem aan een andere kamer binnen met lichtblauw vasttapijt, met lelies in, goudkleurig en met een donkere rand aan - en met prachtige luchters, heel modern, design heet dat. Louter licht was het daar.
‘Dat was de dressing room’, zei hij, ‘hier begint het pas’, en hij stapte een ander kamer binnen. In dat vertrek alleen al was er een salonhoek, een leeshoek met een boekenrek en twee staanlampen links en rechts van een tweezit waarvan je de voetstukken kon verlengen. Er was een superbreed beeldscherm, en er waren zetels, vastgeschroefd in de grond. ‘Onze bioskoop’, zei hij. ‘En dat is nog maar de eerste kamer. Kom.’
Er volgde nog een grotere kamer, met eettafel, salon, kleine zithoek, bureautafel en in een hoek een plekje met op de grond glanzend marmer en een donker plafond met spotjes in de vorm van sterren in (we hebben er nog gedanst) en, heel grappig vond ik dat: er was nog een andere deur waar iemand uitkwam, uitgedost als een lakei, met goudkleurige galons en achter hem zag je dat er nog een andere lift was, een dienstlift, een hele brede, breed genoeg om er alle karretjes in te zetten volgeladen met wat je wil eten of drinken. En sauna en fitness en massage, 24/24 en 7/7 en badjassen en slippers en body lotion – dat was er ook allemaal. Maar daar hadden we geen tijd voor.
Dineren, souperen. Op het terras gezeten. Gedanst. Film gekeken. Gevreeën. Die slaapkamer: gewoon feëriek - maar dat alles, die hele suite, en al wat we daar deden was echt. Hij was lief. Ik wou hem op een bepaald moment zeggen: ‘He, seksbeest, je bent ook mijn buddy…’ – heb ik gelukkig niet gezegd.
Misschien was hij wel gebleven en hadden we daar kunnen overnachten maar hij moest naar een andere afspraak. En dan naar huis. Ik wou er gewoon niet aan denken, aan zijn familie. Ik heb iets gedroomd dat echt gebeurd is. Toen ik op weg naar huis liep, hij had me vlakbij afgezet, hoorde ik nog een deuntje vanuit de wasserette klinken: ‘Mais il m’aime encore’. Nee, plus que jamais et pour toujours – hopen maar!

Heb geen ene seconde aan mijn buik gedacht. Op een hele dag: geen ene seconde.

Gedroomd van lijken onder en boven me. Ze glimlachten, ik sneed door die lichamen als boter. Opgestaan. Mijn pillen ingenomen. Teevee opgezet. Drie keer naar het nieuws gekeken. Weer gaan slapen.

O., ineens, zonder reden, stuurt me een mailtje: ‘Remember hotel L.’ – de naam van dat luxehotel (hij stond op de handdoeken, washandjes, servetten, en op de tampons in dat ‘women intimate cupboard’ tussen de douche en de jacuzzi in die gigantische badkamer). Ik antwoord niet; ik weiger me ertoe te verlagen O. tekst en uitleg te geven.

Het komt door de feromonen, zegt K., en dat onze feromonen zo goed bij elkaar passen. Wat ons alletwee even geil maakt.

Rillen, schudden, beven – en opnieuw: rillen, schudden, beven. Kou lijden. Rillen. Hongeren, eten, en hongerig blijven. Dat is wat ik doe. Dààrom ben ik hier, in deze stad (niet in een andere), daarom heb ik F., C., K. ontmoet – en al die anderen –

Mijn baas denkt dat hij vriendelijk is, gewoon omdat hij nu en dan zo’n smoeltje trekt van: ‘Je doet raar, maar het is je vergeven.’ Dat versta ik als: ‘Domme gans, je kunt niet beter, voor mij ben je ‘r niet eens.’ Weer zalig gevreeën. K. zegt: ‘We zullen elkaar nooit kwetsen, beloof je me dat?’

Wie mij liefheeft – ik zou met mijn liefde geen blijf weten, maar hij houdt niet van mij. Nee.
Bye, bye, K., ga maar een ander lief zoeken. M. bijvoorbeeld (smacht elke dag naar jou, heus, echt, echt waar), en S., kunnen jullie samen een triootje vormen.

Zaterdag/zondag thuisgebleven, niks op teevee. Receptioniste. Boekhoudster af. De baas wil dat zo.

‘Een kleine rotonde, K., en dan rijdt u de smalle parking in?’, vraagt O. (ik zat aan de balie, had een makelaar uitgelegd hoe hij ons kantoor kon vinden), ‘zeg dat maar niet als K. erbij staat. Die denkt altijd maar aan gaten en gleuven.’ En terwijl hij me strak aankijkt, zegt hij: ‘He, K., denk ook eens aan jezelf. Je opening - is het daar ook lastig parkeren? Je gaatjes, ooit aan gedacht ze te verzekeren? De firma biedt een gunsttarief voor haar werknemers.’ O. lacht. En M., die net op dat moment uit de lift komt en voor de balie is komen staan, lacht ook. En ook S. Berookte en valse tanden zie ik, en dan die vettige huid van S., het is soms alsof er een licht op haar voorhoofd brandt wanneer ze vlak onder de neonlamp in de gang loopt - en ook de kleur van haar haar is vals, en hoe ze haar billen in haar broek perst en dan maar wiegen met die kont, als een diva, als ze door de gangen loopt – belachelijk! Ook P. komt erbij staan, vlak voor mij, aan de balie. En maar lachen. Lachen à volonté! En dat alles omdat ik uitleg geef aan een makelaar. Eén ding is zeker: P. is aartslelijk. O. is een vieze, vuile, zielige, jaloerse vent.

Elke avond sms-en we naar elkaar. ‘Slaap lekker.’ ‘Welterusten.’ ‘Een zoen, lieve lieve vriend.’ ‘Liefs liefs liefs ikke xxxx’. Is soms belangrijker dan al de rest.

Liep naar toilet. Hield lange tijd mijn mond wijdopen, in de hoop dat die half verteerde brokken chips, chocolade, fruittaartjes uit mij zouden komen, in het water vielen. Drup, drup – klots en leeg. Had me volgevreten. Mijn lijf had uit elkaar moeten springen. Het wil niet stuk. Soms denk ik: mooi dat dat ding er is, soms: ik verwens dat vet monster in mij.

Ik was in bed gaan liggen, met mijn handen voor mijn oren om het lawaai van de bovenburen niet te horen (wat versjouwen ze daar toch de hele dag?). Het moet zo rond halftwaalf geweest zijn. Ineens zag ik dat licht. Ik verdiende dat niet. Van een flauw licht werd het een gloed, roodachtig, dan gelig, die in mijn buikholte kroop. Wat deed het daar? Het verdelgde, veronderstel ik, wat schadelijk is voor mijn kind. Vooral ’s nachts groeide het. Weken heeft het geduurd voor dat licht heel mijn buik vulde, nog eens weken voor ik het aandurfde aan mijn buik te denken op mijn werk. Ik liep zoals ik zoveel andere vrouwen heb zien lopen: potsierlijk wiegend, alsof iets gigantisch mij uit balans haalde, zoals zo’n Afrikaanse vrouw ‘met een achterwerk van hier tot ginder’ (zei K. onlangs nog). Zie mij dat dragen in mijn buik, zie de gangwanden vol bewondering terugwijken als ik op kantoor van de balie naar toilet, naar de vergaderzaal loop. Kunnen ze niet meer naast me kijken -

Drie keer klaargekomen. K. blijft een goeie minnaar.

Urenlang op toilet zitten. En maar persen. Er gebeurt niks. Dik, stroperig slijm, vastgeklit aan mijn buikwand.

K., in het hotel (ik had er geen zin meer in): ‘Wat zit je weer te mokken? Je moet er niks achter zoeken. Ze hadden de receptioniste gevraagd of ze brieven kon tikken. Ze had gezegd: ja, dat kan ik, maar ze bakte er niks van. En ’t was nog een lastig mens ook. De baas heeft haar ontslagen. W. is sinds vorig jaar weg – dus moesten ze iemand vinden die ons uit de nood helpt.’
‘Maar waarom ik? Dit werk, K., echt, ik –’
‘Dat ligt aan het budget. We kunnen niemand aanwerven. Begrepen?’
‘Ja, K.’ (onderdanig word ik dan, als hij zegt: ‘Begrepen, grote nul?’)
‘Waarom begin je er dan over?’
‘Omdat ik stom ben.’
‘Kom, stop!’ En hij liep naar de telefoon. ‘Weet je wat? We boeken een uurtje bij. Maak je geen zorgen. Ik verzin wel wat. Niemand zal je iets vragen.’
En hij belde de receptie, en daarna naar kantoor:
‘We zijn op missie’, zei hij, ‘ja, wij, de twee K.’s.’
Heeft een soort van beginnende puist onder zijn linkeroog (zou naar de dermatoloog moeten). Werd ongeduldig. Tikte met de plastic schoenlepel van het hotel op het nachtkastje, tastte naar zijn kruis. ‘Nee, O., geen vragen’, zei hij, ‘we zijn op missie, punt uit.’
Hij legde de hoorn neer, trok opnieuw zijn kleren uit en ik trok de mijne uit en als vanzelf gingen we weer tegenover elkaar zitten, onze benen over elkaar geslagen. Alle gaten wijdopen. Open en dicht, en weer open en dicht. En maar kijken en luisteren, ‘want dat doe ik graag’ – en onderzoeken en met zijn vingers openwroeten. Hij trok me naar zich toe. Het was alsof ik wegviel, gewoon door de grond zou vallen als hij er niet was. En dan ineens: een seut, dacht ik, een trut, ik ben een dikke nul. Receptioniste tot ik doodga.

Weer drie keer – maar als ik zeg: vierde keer graag, zegt hij: sorry, geen tijd meer voor. Ik ben perfect (volgens hem, ‘vooral langs achter’). Hij is perfect (hij houdt de tijd altijd goed in het oog). We zijn het perfecte koppel.

Tranen van bloed op zijn wangen, die schitterden, zo helder waren ze. Er was ook nog een kind, schreiend aan mijn voeten, zo hartverscheurend jammerend dat ik uit puur medelijden in dat kind kroop, zijn warme, tere huid over de mijne aantrok en meehuilde. Ik sloot mijn ogen, en belandde in die buik van mij, gewiegd door dat licht. Heerlijk verblijf in de kern. Ik zwom er. Een kwartier lang. Ik was lenig en beweeglijk, toch hing ik stil in dat water. Het voelde aan als drab, een zee van glasscherven, vloeibaar, als kolkend water dat plotseling samentrekt, stolt. Het werd beangstigend donker, want ik ging heel diep, en die opvallende lichtgloed bleef me van bovenaf begeleiden. Dan: weer die zee van scherven. Ijzig, ijzig koud. Ik kwam eruit, zeurende pijn in de kaken, mijn bekken stuk, het licht was flets, kleurloos. Ik keek om. Ik had in een reusachtige ton gezwommen. Mijn mond was dichtgenaaid. Ik werd er kreupel van, voor altijd. Alle gaten van mijn onderbuik leken wel dichtgeschroeid. Een zak zonder gaten. Er kon niks meer in, niks meer uit. Ik bewoog toen door louter te ademhalen, dat was het vreemde.

Zijn glimlach : doorslag van de zoetsappige glimlach voor de koffiejuffrouw. Zijn lege, bekakte woorden die je in gangen, op vergaderingen, tijdens lunchpauzes hoort. Zijn orders: ‘K. hier. K., wil je die klant voor me opbellen?’ Of gewoon: ‘K. (stilte; hij staat voor de balie, kijkt naar zijn papieren), bel die en die op; leg de weg uit; noteer in mijn agenda, bel die afspraak af, tik die brief.’ Zijn sloor. Zijn geile voetveeg. ‘Aan het werk, beste K.!’ (Ik glimlach, met mijn hoofd schuin naar hem opgeheven, wordt hij geil van, zegt hij) ‘Met die kleine hersens en (gromgrom) die vette, prachtige kont van je.’ (Laatst had hij het over dat ‘sappige gaatje’. En: ‘Klein maar rekbaar.’)

Toen ik hem ’s ochtends in de gang zag staan, met dat ouwelijke kostuum van hem, herfsttinten in volle zomer (zijn vrouw heeft een afschuwelijke smaak!) zag ik in: ‘Nee, hij is het niet’, maar toen ik dan tegenover hem stond, in onze hotelkamer, enkele uren later, kwam dat gevoel in me op dat zei: ‘Hij is het wél – kijk, hij is niet beter of slechter dan een ander. De proef op de som komt er als je je ook werkelijk geeft’. Een gevoel dat mij dwong om alle verzet op te geven. Ik moet hem volledig leren vertrouwen.

Bij het afscheid ging ik op de tippen van mijn tenen staan en gaf hem drie zoenen; zoals een vogeltje, snavels schuiven naast mekaar, opzettelijk verkeerd mikkend. Had het gevoel dat hij beschermend naast mij liep op straat, we stapten het gebouw binnen, hij duwde de getinte glazen deur voor mij open, hand in hand stonden we in de lift, gearmd liepen we het kantoor binnen en niemand keek ervan op.
We praatten met elkaar, aan de balie, we zoenden, zomaar, spontaan (hij leunde over de balie, ik zat al op mijn stoel), ik zette mijn dictafoon op en het was uitgerekend zijn stem, - dus ik tikte nog vrolijker.
Vijf uur, ik wilde al weg, maar er lagen stapels paperassen op de balie en brieven, ‘dringend’– dus ik bleef voortwerken, tot 19 uur – ook de baas kwam even langs. Kon eindelijk met die man praten zonder angst.

Strelingen: rug, bil, lies, buik, doen me niks. Dan: hij komt binnen. Zindering. Pas als hij zo in mij doordringt, zakken we door dat ijs waar ik in zit, het wordt warm, zacht water dat langs je lichaam spoelt. En bij mij, bij mij is het alsof iets zalvends in me binnendringt en alsof iets in mij eindelijk gesust en versuft indommelt en mij met rust laat. Geen verbetenheid meer, geen twijfels, geen keuzes meer, en als er zich onverwacht toch een keuze voordoet, vloei ik er behendig onderdoor. Stilte. Geen angst, geen eenzaamheid, geen behoeftes meer – ze zijn verzacht, opgelost.

Hij geeft me rust, dat vooral. Grenzeloos vertrouwen. Dat is het enige wat ik nog nodig heb.

Nacht. Vanavond mijn gevoel gekoesterd, mijn liefde naar hem gestuurd. Ik probeerde te slapen en wilde me z’n gezicht herinneren en daar was het, heel fijn en scherp, en die donkere ogen en zijn glimlach maakten me week en gelukkig.

Belde mij gisteren even op. Op de achtergrond hoorde ik zijn zoon iets roepen, ik begon te stamelen. Schaamte. Hoe durft hij mij aankijken, ik ben toch zo bijzonder niet? Schaamte gevolgd door angst, want als ik het nu verknoei, krijg ik nooit zo’n kans meer. En de angst dat ik het verkeerd doe maakt mij nog onzekerder en geeft mij het gevoel dat ik niet anders kan dan het verknoeien, dat ik het moet en wil verknoeien. Dit alles zorgt ervoor dat ik er beter begin uit te zien, ‘stralend’ zoals collega’s zeggen, wat me razend maakt want aan dat stralende uiterlijk van me heb ik geen enkele verdienste. Nog ergerlijker vind ik die gulzige, idiote blik van J. die me fixeert en zegt : ‘Ligt dat nou aan je nieuwe make-up dat je zo’n heldere ogen hebt ?’ En M.: ‘Het zal wel haar mascara zijn!’ En J. weer: ‘Ons K.-tje wordt een barbiepop.’ Dan, met die lepe blik van hem : ‘Groeit er iets moois? Love is in the air…’ Knipoog enzovoort, en S.: ‘Je teint is erop vooruitgegaan; welke fond de teint gebruik je?’ (Alsof ik het haar zou vertellen, dat stuk verdriet.) En O., die altijd maar met K. fleemt, en zich graag als zijn ‘vriend’ voordoet, zei me: ‘Weet je over wie hij het altijd heeft?’ ‘Geen idee.’ ‘Niet over zijn vrouw. Aha.’ En hij waggelt weg, onze vuile teddybeer. Wat hij wou zeggen was: ‘Ik krijg hier geen enkele vrouw te pakken maar ik weet alles over de vrouwen die K. pakt en dus ook over jou, K.’

Lichtgeraakt, snel geïrriteerd, ongeduldig. Denkt dat hij iedereen op stang mag jagen (omdat mijnheer doet alsof hij een werkpaard is). Maar dat zijn maar kleine mankementjes. Hij weet wat hij wil. Mij.

Daagde hem uit: ‘Ik beteken minder dan niks voor jou.’ Hij zweeg, dan: ‘Ja en nee’. Hele uitleg. Goed bedoeld, zo herkenbaar, zo vernederend. Wie mij vertrapt, krijgt mij. Soms, ja, soms toch wel heimwee naar de tijd dat ik alleen leefde met mijn buik.

‘Ik heb het goed met je voor.’ En dat het ‘stomende seks’ is, ‘als bij geen ander’. En ‘vertrouwd’ is het, zegt hij, wat ‘best leuk’ is en ‘deugd doet’, en dat hij dat ‘fijn’ vindt. Heerlijk, toch? Waarom wil ik altijd méér dan dat?

Ben poeslief. Mijn eerste gebod: de vader van je kind zul je eren. Tweede gebod: onderga. Derde gebod: vrouwen huilen niet, behalve van vreugde (wanneer ze bevallen). Vierde gebod: lijd, en wees blij dat een man je ziet zitten. Vijfde gebod: streel nooit een getrouwde man. Zesde gebod: vrij met de man van wie je houdt, maar met zo’n onmogelijke, verpletterende liefde dat je je schuldig en beschaamd voelt (wat ziet hij in mij?). Zevende gebod: verlies jezelf in hem, voor hem, zelfs als hij weg is, nooit terugkomt. Achtste gebod: baar kinderen. Negende gebod: en voed ze op. Tiende gebod: en ga dan dood, je opdracht is volbracht.

Hij ‘heeft’ mij nu. Ben zijn ‘K.’tje’, soms zegt hij: ‘mijn kontje’, soms ‘kitje’ (noodkit voor geile zielen), soms ‘klitoortje’. Mij ‘heeft’ hij al. Wellicht ook P., en misschien ook R. (dat is wat S. beweert). En dan? Ik heb een superdeluxe minnaar, hij is een goeie vader voor zijn kinderen (hij praat er veel over) - ik hoor gelukkig te zijn.

Ben twee keer niet naar het hotel geweest, hoewel we er afgesproken hadden. Hij was er kwaad om en de week daarop zijn we er drie dagen na elkaar geweest, ‘to catch up én om het goed te maken’ (zei hij). Heb daarna weer een afspraak laten vallen. Ik wil dit – en wil het niet. Dat verlamt me. Ik bleef gewoon aan de balie zitten, ben niet eens een lunch gaan halen. Hij dreigde: ‘Als het zo zit…’ – maar ik onderbrak hem en zei: ‘Ik ben overwerkt, thuis is het een puinhoop en…’ ik zag die kwade, verongelijkte blik van zijn gezicht verdwijnen. Hij had er plezier in. Zo naïef dat kind, zal hij gedacht hebben (‘ze heeft niet eens door dat ik haar doorheb en heel goed weet dat ze allerlei uitvluchten verzint’). ‘Doe dat geen tweede keer’, zei hij, ‘het is trouwens al je derde keer.’ Hief het vingertje in de lucht, bij wijze van grap. ‘Begrepen, meester’, zei ik.

S. zegt, meesmuilend: ‘Je denkt toch niet dat je hier onmisbaar bent?’ (Had haar gezegd: ik voel me niet goed, blijf een paar dagen weg, weken misschien.)

Ik zou hem moeten bellen. Te lam om hem te bellen. Ik wil wel. Ik zou graag hebben dat hij komt (niet op hotel, maar hier). Zou hij Martini lusten (eens vragen wat hij echt graag drinkt)? Maar hij komt toch niet. ‘Ik heb een familie. Die gaat voor, op alles’, heeft hij gezegd. Dus ik bel hem niet. Ik mag niet bellen (van hem niet, van mezelf niet).

Foert, K., laat me niet zomaar op mijn kop zitten.

Dromen van hoe het zou kunnen zijn (als dromen uitkomen). Douche. Er een half uur over doen om de juiste kleren te kiezen. Sigaret. Koffie. Toilet. Worstelen met de vragen: blijf ik binnen, zou ik buiten durven komen? Waarom zou ik buiten komen? Om wat te doen?

Zijn sms-jes.
‘Godverdomme dat verdien ik niet.’
‘Je wilt me afdreigen, mijn gezin kapotmaken. Je dacht dat je me om je vinger kon winden.’
‘Wil je dat ik me voor je opoffer? No way.’
‘Klerewijf. Ik kan hier zelfs niet rustig zitten. Waar hang je weer uit? Met wie? Ik wil weten met wie.’
‘Niet eens een sms. Twee weken! Ik ben godverdomme getrouwd maar dat snap jij natuurlijk niet stomme gans en ik durf wedden dat niemand je wil en je mag al blij zijn…’ Heb toen de gsm uitgezet. En toen ik hem vanmorgen opzette, hoorde ik mijn kersverse beltoon: dramatisch tromgeroffel, vlak voor de stormloop van de vijand! – en zijn berichtjes liepen een voor een binnen en als ik het goed begrijp zegt hij (schrijft hij, herhaalt hij, wekenlang): ik dacht dat je er zin in had, in een leuk verzetje, vrijen, neuken en daarme uit (‘punt uit’) – en nu zeg je: ik heb een kind van je en dat was zo niet afgesproken, we vreeën veilig zei je, je hebt er mij ingeluisd. ‘Leugenares’, dat is dan nog één van zijn liefste woorden. Mag hem onder geen beding nog sms-jes sturen of hij zal me wel weten te vinden.

Vanmorgen stuurt hij een sms: ‘Halféén hotel W.’, en daar streelt hij me en zegt: ‘Soms hol ik mezelf voorbij. Dat is mijn temperament, moet je me maar vergeven. Ik kwam de lift uit en ik zag je zitten, ’t is de manier waarop je daar zit, je schouders, die strakke broek van je met die vette billen in, moést ik hebben, vandaag nog, ’t kon niet wachten, geil geil geil, je houdt het niet voor mogelijk.’ Gevolgd door een lange zucht. ‘Ik stond op scherp’, zegt hij, en legt zijn hand op mijn buik en zegt, met een trieste blik: ‘I need you, K., shit K., geloof me, zonder jou zou ik het thuis niet uithouden.’

Hoe hij nog nooit vreemd was gegaan, nooit, nooit, en dat ik hem op het idee had gebracht. ‘Maar ik heb me daar lelijk in vergist. Mijn vrouw, die raak ik niet aan, maar is er iemand op ’t bureau met wie je ’t niet gedaan hebt? Hoe is ’t mogelijk dat ik mij over jou ontfermd heb, ontfermd ja, en dacht ocharme, maar ’t is ocharme ik, nee, nondedomme kut je bent een rotwijf, een bedriegster, maar mijn vrouw en kinderen die zul je erbuiten laten -’
Ik stak mijn vingers in mijn oren en dacht: laat hij (het, zij) dat nu maar niet horen, en daarna stak hij zijn hand in mijn mond en draaide ze daarin rond en daarna legde hij zijn hand in mijn nek en ik liet mijn hoofd hangen en ook mijn armen liet ik slap langs mijn lijf hangen. Hij duwde me het bed op, op mijn buik, hij mocht doen wat hij wou, zijn handen steken waar hij wou, het kon me niet schelen, het loopt toch altijd fout met mij.

Gelukkig maar dat hij geen doetje is, misschien zal het kind ook van zich kunnen afbijten en dat is dan wel nodig want dat blaffen en tieren dat zal het wel niet van mij hebben –

Weer zo’n monoloog. (Kan verdorie goed van zijn oren maken en geeft mij de schuld van alles.)

Ik zei: ‘Stop!’ ‘Stop?’ ‘Ja, stop!’ En hij krabbelde terug: ‘Ik heb je nodig, zonder jou etcetera’… en dan ben ik de mooiste en knapste en heel sexy, en ‘ik laat mij gaan en zeg vanalles (trut, trien, troela, tralala, aan scheldwoorden geen gebrek ten huize K.) maar dat meen ik allemaal niet.’ Hij streek heel stuntelig door mijn haar, nog altijd trillend van woestheid waardoor ik schokjes door me heen voelde gaan. Schrokkerig – zo waren zijn handen. En die buik van mij wou ook wel wat. En hij werd weer Mister super super Nice Guy en fantastische latin lover en ik was weer heel belangrijk voor hem.

En toch, nog altijd die idiote reflex wanneer ik het huis uitga: de twee hoofdkussens uitnodigend op het hoofdeind van het bed leggen, rechtop, kleren van de grond oprapen, pedaalemmertje in de badkamer legen – dat dwaze idee: misschien kom ik hem tegen, toevallig, en zegt hij: ‘Ik kom bij jou slapen. Wat is het hier netjes, want ben je ’n nette K., K.!’ Stomme reflex, stomme K.

Een machtig, zuiverend kind worden.

Ik zal, wanneer het er is, anders gaan eten. Dag kind van de maan. Stil, er wordt geluisterd. Grote oren, weet je, die in de muren zitten, beetje zoals O.’s harige oren, vies hé! He kind, hoe zal ik je noemen, hoe heette je weer, nog voor ik wist dat je er was?

Ding in hém – cel, spat, vies vocht dat van hem naar mij oversprong – tiedelie, tiedeloe, en oeps, ik zat ermee. Vrolijk word ik ervan, en razend. Is het van K.? Van F.? Was het nog bij hém geweest (C.). (Was dat echt beter geweest?)

Vanmorgen liep ik als een ballerina mijn kamer op en neer, de armen wijdopen, de benen uit elkaar. Laat de lucht maar door die tochtige gaten waaien, kijk, ik stap de wereld in, wijdbeens - en ik liep de badkamer in, mijn voeten op de planken vloer (zelf geverfd, mijnheer, in lavendelblauw, beste K., hier mag je in bad komen liggen, ik kom je straks wel masseren, geile sater) – nooit verlegen om een grandioze entree en ging voor de spiegel staan en daar stond een ferme vrouw om wauw! tegen te zeggen, frêle van boven tot aan het bekken, en vandaar af: een bom van bloed en vlees. Kom K., leg er gerust je handen op: een achterwerk waar vier kinderen in kunnen, twee per bil, gangen, gaten en tussenschotten en ruime kamers in overvloed. Of wou u ze allemaal tesamen krijgen? Kan ook. We persen ze d’r wel in. Ruige seks en lieve kindjes waar we braaf voor opdraaien, daar zorg ik wel voor.

Kom, schat, breek de schaal open, zing, zing! En mijn vingernagels diep in mijn huid duwend trok ik die buik van mij open, kijk toch naar mijn lijf, mijn lijf godverdomme!, is dat geen prachtig, stevig lijf - en daar kwam dat lieve dingetje uit getuimeld, zo glad en slijmerig als een oester en ik nam het in mijn armen en ik stond toe te kijken hoe ik het wou wiegen maar het viel en bleef maar vallen, zonk door de vloer, viel op de tegels beneden tot in het grondwater onder het huis waar het in verdween, niet eens dobberde maar wegzonk als een vleesklomp.

Daarna heb ik rondgebeld. De hele voormiddag. Ik had de telefoonnummers op het internet, op het werk, opgezocht. ‘Nee, juffrouw, dat doen wij hier niet meer.’ En die man verwees me door naar een ander centrum, in Nederland. Daar kon het ook al niet. ‘Want als het echt zo oud is, dat kind, dan hou je het maar beter en trouwens de wet verbiedt het.’ Maar voor hij neerlegde, zei die man: ‘Er is nog een centrum in Frankrijk.’ Een centrum met een druilerig klinkende naam. Nee, ging ik niet heen. Ik dacht aan donkere straten met mistwolken die over de grond sluipen en gluiperige mannen in en vreesde daar, ’s nachts, maar gepakt en gepakt en gepakt te worden. ‘Ook in Zweden’, zei iemand, is er nog iets, ‘dat moet je eens proberen’. Wat heel ver is, Zweden. En nee, daar wil ik het niet in een plastic zak laten verdwijnen of laten verbranden ergens in een kelder vol ratten en spinnen, zekeringskasten en afvoerpijpen. Daar dacht ik de hele nacht aan. In een pedaalemmer tot daaraan toe. Maar geen kelder en geen container.

Kronkelie, kronkela. Moet nog heel veel kinderliedjes leren.

Normaliter, zegt de dokter etc. – en of ik nog voldoende van die ronde dingetjes heb en van die gekleurde staafjes in kleine glazen bokaaltjes en – maar als u uw medicatie neemt - kost me dik veertig euro, gewoon aan pillen - besluit: ik word weer normaal (zegt de dokter die het kan weten).

Leuk, oef

Dedju (zegt hij dikwijls), wat als ik nu eens ‘gewoon’

Handenvol geld kost dat, handenvol

‘Ik ben te dik.’
‘Ik eet graag chocola.’
‘Waarde stier, vroeger noemden ze mij de paardekop.’
‘En de matras van ’t school.’
‘Lieve vriend, ik kan in de hoofden van de mensen binnenkijken pas maar op ik zie dat je ongelukkig bent vergeet niet ik weet alles je vrouw weet er zeker iets van zo stom zal ze wel niet zijn eet nooit krentenbrood de krenten zijn opgebakken kakkerlakken op een reportage op teevee zag ik dat ze daar kankerverwekkende dingen in verwerken dat weet iedereen je hele familie zal kanker krijgen...’ (En nog zo’n reeks ziekten die ik hem toewenste. Het duurde vijf minuten voordat die hele troep verstuurd was.)
‘Groetjes van ons twee.’
‘Accept Ignore loser vuile lozer I have a secret ik zal je haar laten wassen met netelsoep je zoon weet dat je vreemdgaat je vrouw is een stom wijf vraag haar maar wie de vader van je jongste dochter is?’
‘Ken je de kerk van de heilige redemptor vlakbij kantoor – daar heb je me drie keer na elkaar langs achter gepakt. Wat zal die priester daarvan zeggen?’

‘Rotwijf rotwijf rotwijf kutwijf kutwijf kutwijf’, dat was alles wat hij daarop wist te antwoorden en dat leverde me een goed gevoel op en nog een hele reeks sms-jes heen en weer.

‘Zul je weer eens plechtig bij me intreden? Omleiding, K., geen blijde inkomst vandaag. Je zult moeten rondzwerven in slijmerig niemandsland tot je een andere opening vindt – kom achterom.’
‘De placenta is een interface, K., tussen de moeder en het kind, en wist je dat er aan de voorkant van je schedel toen je nog heel klein en lief was een opening zat in de vorm van een diamant maar die diamant is een muntje geworden (vijftig eurocent) en de vliezen die je hersens samenhielden zijn nu bankbiljetten.’
‘Mij ooit al eens goed bekeken daar onderaan ik heb een geitekop.’
Geen reactie.
In ’t begin was het nog van: zonder jou maak ik me van kant (dat zei hij, denk ik toch).
Nu: noppes.
Mijnheer wordt slim, en zwijgt.
Wat als ik zijn lieve kindjes koudmaak? Wiegedood, dronken in ’t zwembad gesukkeld, per ongeluk van de fiets gereden, besmet kraantjeswater gedronken, dikke boterham met rattenvergif? K. zal bij me komen uithuilen. Ik zal hem zeggen, wanneer hij dat stinkgat van me binnenkomt: 'Slipslip eigen schuld!'

Gsm uitgezet. Weer opgezet om één uur. ‘Morgen halféén – ons plekje.’ Heeft hij me vijfmaal opgestuurd, dat berichtje. Gsm uitgezet.

Daar dan (vanmiddag), in hotel W., ‘ons plekje’, maar in ‘de groene kamer’ achterin, met uitzicht op een betonnen kerktoren en met een bed met een groene bedsprei (onze kamer was al bezet): ik luister naar hem en ik vind dat hij dat goed doet, zo kwaad zijn. Ik ben er ook heel goed in om gekweld te zuchten en af en toe te glimlachen zodat hij nog kwader wordt. ‘Arrogant misbaksel’, zegt hij dan.

Een stap achteruit zetten wanneer hij dichterbij komt. Schuw mijn kop intrekken wanneer hij zijn hand uitsteekt en probeert mijn haar te aaien. En, vooral, de hele tijd met mijn armen voor mijn borst gekruist blijven staan, stevig op mijn benen, met mijn rug tegen de deur.

Onze steracteur, in zijn glansrol (de verbolgen minnaar):
‘Ik heb de hele tijd aan jou gedacht.’
De trouwe minnaar: ‘Mijn vrouw lag naast mij gisteren en ze wou vrijen en ik ook, K., maar ik dacht, nee, om haar, mijn K.-tje, doe ik het niet.’ (Hij trok een treurig clownsgezicht.)
De bezorgde dienaar: ‘Wil je een glas water? Vragen we iets te drinken? Ik heb zo’n dorst.’ (Nee schudden – voelde heerlijk aan.)
‘Jij hebt toch niemand gehad vannacht? Waarom heb je niet geantwoord op mijn sms van zeven uur?’
‘Je manipuleert me.’
‘Stomme teef.’
‘Jezus, K., shit ik kan niet zonder jou en dat misbruik je natuurlijk.’
En dan: ommekeer – mijnheer heeft eerst naar zijn horloge gekeken (we waren al een halfuurtje kwijt) - verzoenend wordt hij dan. ‘Het komt allemaal in orde’, zegt hij zachtjes, ‘maak je geen zorgen. Wat telt er? Wij. Win-win, weet je…’

En ik luister en het is alsof ik door de muren heen kan zien en weet wat hij zegt, wat hij niet zegt, wat hij straks zal doen, ik kan het allemaal voorspellen.
Hoe hij, terwijl hij me met zijn sombere paardenogen aankijkt, zijn arm uitsteekt, ik mijn arm niet meer terugtrek en hij met zijn vingers op mijn arm tokkelt. Hoe die vingers langs mijn bovenarm tot mijn hals opklimmen. Hoe ze bij mijn oren uitkomen en achter mijn oorschelpen strijken en in mijn haar woelen, tot net boven mijn nek. Hoe ze even bij de onderkant van mijn haarlijn stil blijven liggen, zodat hij precies daar zit waar mijn huid het gevoeligst is; daar wrijft hij dan over, heel langzaam en toch stevig, met zijn vingertoppen, van boven naar beneden, van links naar rechts, daarna in cirkeltjes, almaar sneller, vlakbij dat knobbeltje dat daar zit, terwijl hij idiote woorden prevelt zoals ‘zottebol’, ‘honnepon’, ‘mijn bolleke’, ‘mijn sjoeke’ – en als hij achter mij gaat staan, hoog boven mij, met zijn knieën tegen mijn billen en zijn twee handen plat in mijn nek, en lichtjes duwt alsof hij me gedresseerd heeft en dat ene knopje daar op mijn achterhoofd indrukt, en als hij ook mijn kruin vastpakt en naar beneden duwt, harder en harder nu, en van links naar rechts beweegt, alsof hij mijn hoofd in mijn ruggewervel wil schroeven, nee, erin wil wringen, stuk wil wringen, en dat hele lijf van mij kraken wil, zo hard drukt hij – dan ben ik van hem. Dat lijf van mij, hij krijgt het. Hij krijgt het waar hij wil. Ik ga op mijn knieën zitten, met mijn achterwerk in de lucht, en de rand van mijn broek zit vlak onder mijn billen en daarboven blijft nog een heel dun randje van mijn slipje zichtbaar (vindt hij opwindend).
‘Het is toch zo simpel’, zegt hij, ‘dat is toch wat we willen.’
‘Ja’, zeg ik.
Zo moet het zijn. Zo mag het niet zijn, maar ik heb het graag zo.

Wou hem van me af krijgen. Maar hij was al te ver met zijn handen. Ik was het dan maar die zijn handen vastpakte en ze over mijn buik liet wrijven, mijn broek opende, en ze op mijn navel legde en dan in alle gaten duwde. Ik legde ze voor mijn ogen, mijn mond. Ik kuste zijn handpalmen die naar sigaretten en mijn gaten en die van andere vrouwen ruiken. En ik was het die zei: ‘Niet ophouden, niks zeggen, ’t is goed zo’, al wist ik dat ik loog. Maar dat was nu eenmaal wat ik wou op dat moment: dat het zo was, dat hij met die handen van hem mijn lijf maar bleef samendrukken en leegschrapen tot er niks van mij overbleef.

Hij stilt zijn honger, niet de mijne. ‘Nog een keertje graag, de hoofdschotel.’ Die kreeg hij. En een toetje. Kreeg hij ook. En maar rondspatten, als een dronkeman. Dat was lang niet wat ik wou. Maar toen het dan toch zover was had ik het nog graag ook. Ik zit nog altijd vol van hem en dat moest er juist uit, alles moest eruit, van hem, van alle anderen, alle gaten leeg, eindelijk leeg, maar om de een of andere reden weet ik dat het toch nooit zal lukken.

Eerst een vinger, dan twee – een vuist, ‘dat moet toch ook kunnen, niet?’ Die vuist hing daar, voor mijn ogen, en gleed toen naar beneden, langs mijn rug, het juiste gaatje in. ‘Je moet soms een vuist kunnen maken’, zegt hij, ‘als je zo’n baan hebt als de mijne. Anders red je het niet.’ (Zei hij heel ernstig, alsof dat er ook maar iets mee te maken heeft.)

Met het zeemvel in de weer, met azijn de tegels van de badkamer gewassen. Daarna: de voegen schoonmaken. Niet helemaal wit gekregen, maar toch behoorlijk schoner dan ze waren. Geknield stukje voor stukje de vloer in de hall en de woonkamer geschrobd. Eerst alle meubels opzij geduwd. De postbode kwam langs. Daarna ging ik weer op mijn knieën zitten. Ramen dicht. Hoofd naar beneden. De dienstmaagd van K. Een lijf dat opgerold is, samengeperst tot een machine bestaande uit louter handen en armen die niets anders doen dan poetsen. Kontje in de lucht (‘een parmantig achterwerk’, zegt hij). Ik zweette. Ik pufte en werd onwel van die javel die in mijn neus en ogen prikte.

Kokkerellen op de vloer: scheutje javel, likje schuurmiddel, besprenkelen met azijn, afmaken met wat zeezout en dik uitwrijven, laten intrekken, schrobben en overvloedig met lauw kraantjeswater begieten. Ik liet het water maar spetteren, draaide de kranen volledig open, boven de wasbak, in bad, en ook dat kleine kraantje naast de koelkast: drie fonteinen van water dat in de vloer, de grond moest trekken. Ik wou dat mijn stek nagelnieuw werd, een vloer ‘waarop je kan eten’, wanden om van te snoepen, blinkende klinken, kranen om van te drinken, ramen om aan te likken. En ’s avonds: opnieuw. Gordijnen dicht – maar alle lichten aan. Nog beter willen poetsen dan mijn moeder (ook al zo’n natuurtalent in het poetsen).

In afwachting dat alles opgedroogd was ging ik op bed zitten, met opgetrokken knieën. Alle voegen, kieren, deurposten, ramen: kraaknet. Je kunt er je vinger op leggen, je ziet geen spoortje stof op je vingertop. Wand- en vloertegels waarin ik me kan spiegelen. Ik sta op, open de kleerkast, alles fris gewassen, de geur van weiden, bloemen, knuffelzachte beertjes lacht me toe. Wat ik ook aanraak in dit appartement - het is alsof ik niks heb aangeraakt. Zelfs de stinkende buitenlucht raakt hier niet binnen (heb alle ramen afgeplakt). Er is maar één ding dat ik niet, nooit zuiver krijg, dat stinkende lichaam dat op mijn bed zit. Het voelt pijnlijk en verward aan, alsof het niet van mij maar van een ander is.

Ik had de gsm uitgezet. Toen ik hem weer aanzette: zijn berichtjes.
‘Ik weet niet of je ’t beseft maar je hebt een verschrikkelijk gore taal een viswijf is er niks tegen duikt de koffer in met jan en alleman.’
‘Je speelt met mijn voeten, ondankbaar kreng heb wel wat anders te doen dan voor je te zorgen je neemt al mijn vrijheid af sloerie kan er niet van slapen en maar wachten op een berichtje maar madam trut hoer maar kwijlen en pijpen bij mij is het alleen maar zeuren en zeiken.’
‘Je bent het mooiste en knapste strontwijf hete donder ik had met jou willen trouwen ik had mijn vrouw laten zitten je kont djezus je hebt mijn droom aan diggelen zottebol kristientje als je nog wilt als je wist wat een kans ik alles voor je doen je ben het niet waard niks droltrien weet je hoeveel dat mij kost aan sms?’
‘Gedaan madam classement vertical ga maar iemand anders opvrijen dikke kont je kunt beuken zuigen vette koe slachtoffer uithangen durf niks te zeggen op het werk of tis met u gedaan.’
‘Ge hebt mij serieus liggen gehad boerentrien kutteef nooit meer nooit meer wil ik u nooit meer kan u ni meer rieken of zien mvg au revoir en merci madam strontsergeant commandant’ - en ik zette de gsm weer uit.

Mooi zo, slim gespeeld, dacht ik. Het kaderlid ontstak in woede (zonder masker).

Het wordt tijd dat ik nee durf te zeggen, als ik de balans opmaak, en er niks voor mij in zit. Al dat gedoe dat erbij komt kijken (gedreig, gescheld, geschreeuw, gestreel – ja, zelfs dat ‘gestreel’): pfft – geen zin meer in.

Ik wil een echte vader voor mijn kind.

Tijd zat. Ziekteverlof. Gulle ziekenkas.

Nee, echt, niet met O. Nooit. Zo lelijk! Het feit alleen al dat ze gaan vermoeden dat ik iets met hem heb – ik zou me ervoor schamen. Met wie dan wel? Heb er wel zin in. Behalve die mannen op het werk ken ik niemand – niemand die de naam ‘man’, echte vent, prima minnaar verdient – dan maar zoals vroeger, op de wilden boef, lucky card, shuffle hier shuffle daar at random tegen de sterren op leef zoals je wil een gat in de markt er is dat café, ik wéét dat je daar altijd wel iemand vindt die op je geilt en mij aardig vindt zelfs mijn drankjes betaalt zo moeilijk is dat niet - heb ik vroeger genoeg gedaan

Niet door het vuur, K. – zet dat maar uit je hoofd. Geen gas, geen blikseminslag, geen tv-implosie.

Pil pil pil – misschien

Wat ik graag had gehad: iemand die dol dol dol op mij verliefd is. Iemand die voor een keertje niet totaal anders is dan ik

Het gaat erom dat wie mij vindt altijd de verkeerde vindt.

Schadeclaim indienen. Gekneusd zieltje. Gemolesteerd hoopje mens. Zichtbare tekenen (zie verso, edelachtbare, keer het K.-tje om, zie dat arme gaatje, het is intussen vuistbreed geworden, de randen zijn verhard, we sturen wel onze schade-expert om dat vast te stellen).

Ik schreef: ‘Kom gewoon bij mij wonen. Het zal veel eenvoudiger voor je zijn. Je kunt je kinderen meebrengen. We voeden ze samen op, jouw kinderen en de onze. Gun jezelf die liefde die je verdient.’
Ik dacht eraan die brief naar hem te sturen, maar net toen ik naar het postkantoor liep, liep een berichtje van hem binnen: ‘VREDE. Het ligt aan mij, K. Kan niet kiezen. Niet voor jou, niet voor een ander. Wat telt is mijn vrouw, mijn kinderen.’ En ietsje later: ‘K + K = xxx super dat weten we MAAR HET KAN NIET.’
Hij twijfelt. Ik, of zijn familie. Of: het kan echt niet, en zal nooit kunnen.
Hoedanook, hier eindigt het.

Heet van de naald. Het kan, K., ja, het kan, het kan. Zet je deur wijdopen, vanavond trek ik bij je in. Is je voordeur breed genoeg? Ik sjouw onze nieuwe meubels binnen (gekocht in de Ikea) en ik, de kleine, stomme K. met het elastische gaatje zal al mijn meubels van de hand doen en zijn vrouw sturen we op hotel en ik zal zijn dochtertje heel leuk vinden (dat rotkind). Nee, K., kom maar gewoon bij mij, wij tweetjes. Een nieuwe lente, een nieuwe hengst in huis.

Die buik van mij: dat ding dat brandt en vol verdriet zit en blijkbaar nog meer verdriet moet vinden om – om – ik weet het niet. Verdriet is mijn biotoop, woede mijn buitenland. Het was wat hij deed. En het was die buik van mij. Ikzelf heb er niks mee te maken. Ik liep naast dat lichaam dat deed alsof het ik was. Ik sliep erin, ik genoot ervan (dat dacht ik tenminste, stom kalf). Verdedig je maar, strontbuik! Spreek, buik vol verdriet! De vraag is niet: hoe ga ik ermee om, met die buik van mij, dat levert toch niks op, maar: hoe raak ik ervan af?

Absoluut niks meer, zelfs niet in mijn buik (zou het dood zijn, zomaar?). Niks geen berichtje van hem, al een hele maand niks meer.

Het lukt me niet thuis te blijven zitten ’s avonds. Meestal gooi ik mijn spullen neer, kleed me om en loop meteen weer naar buiten. Ga uren op wandel tot ik thuiskom en doodop naar bed ga.

Morgen zakt de stad weg, zuchtend. Het water daaronder, diep, ongevoelig, sluipend in de grond, kronkelend als een lange, lange darm, zal de stad opzuigen en als een hoop samengeperst metaal en beton uitscheiden aan de andere kant van de wereldbol. Grote ballen vuilnis die aan de aarde kleven, loskomen en de hemel in denderen - tot de andere helft van onze o zo lieve wereldbevolking zonder licht komt te zitten, zo duister en bruin wordt hun hemel vol smerige zonnen.

Er is iets mis met de huizen hier: ze staan schots en scheef, buigen naar links, naar rechts of voorover; de verdiepingen stulpen uit; de huizen lijken op volgestouwde buikkasten met opengetrokken laden. Ook de meubels thuis doen soms bizar.

Had er ineens genoeg van. Een cola light gekocht. Een tram genomen. Stopt aan het kanaal. Daar waar al die garages zijn. Nee, nog verderop. Bij dat vroegere kopstation, die pakhuizen met hun bakstenen gevels. Ik stap uit, en blijf doorlopen, langs dat kanaal. Doodvermoeiend is dat. Er komt maar geen einde aan. Voorbij de loodsen, magazijnen. Zal ik hier gaan zitten? Hier, waar je vanop de zijkant via kleine trapjes naar de oever van het kanaal kunt afdalen.

Daar gaan zitten. Aan de rand van het water. Aan de overkant fabrieken, geen gesloten, donkere bakstenen of betonnen gebouwen maar ijzeren staketsels met duizend armen vol witte lichtpuntjes, als sterren die nooit uitgaan, ook overdag niet. Dat geruis dat de hele omgeving vult. En soms, onregelmatig, spannen die reuzen hun spierballen op en er is rook die uit die armen komt en het is dan alsof er overal klepjes worden geopend en dat hele ding begint te roken, te stomen als een stoomtrein. Een ijzeren mens vol ogen. Iemand die niks ziet, niks voelt, enkel iets verteert, verbrandt (wat?) en uitspuwt, in licht omzet. Zoals die buik van mij. Maar daar is geen licht meer, dat zal er nooit meer zijn.

’s Nachts zie ik drie zulke ijzeren reuzen. Soms, heel soms, vaart ook een boot voorbij, zo’n donker schip dat als een slak vooruitschuift.

Ok, zegt hij, ok dan maar, maar op mijn voorwaarden. Wat kon ik zeggen? Ja. Ja. Ja.

Nieuwigheid: je moet heel even beneden wachten terwijl ze de kamer ‘klaarmaken’. Blijkt dat ze nu een badhanddoek over het bed spreiden. Besparingsmaatregel zegt zo’n trientje aan wie K. vraagt waarom. Begint nu al de vrouwen op te vrijen waar ik bij sta. Ik zeg hem: ‘Die badhanddoeken – dat is omdat ze zich daar te goed voor vinden om de lakens te verversen.’ Hij: ‘Wie maakt ze vuil? Jij of ik?’

Mijn dagelijkse portie lichaamsbeweging: naar het werk lopen – acrobatische lunchpauze (K. heeft op een of andere website allerlei interessante standjes ontdekt, we proberen ze uit, in de volgorde waarin ze op zijn laptop staan) – vergelijken met de filmpjes: doe ik het goed?, volgende keer beter – nog wat werken, naar huis teruglopen.

In dat hotel, in ‘onze’ kamer (met de bordeaux sprei, die je nu nog amper ziet), hij: ‘Misschien zou ik ook in zo’n kamers moeten beleggen. Brengt nondedomme goed op. Beter dan de beurs.’
Hij bedoelt: ik boek voor één uur, we zijn al na een halfuurtje rond.
‘Mocht ik de uitbater zijn’, begint hij – en ik luister al niet meer.

Lichtbruine handdoeken. En daar zogenaamd bij passend: chocoladekleurige washandjes.

‘Hoe vond je ‘t?’, vraagt hij.
‘Wat?’
‘Hoe vond je ‘t?’
‘Het wat?’
‘Wel, wat we daarnet gedaan hebben.’
‘Wat hebben we daarnet gedaan, K.?’

Ik zeg hem: ‘Nu zou je zijn hartslag moeten horen. Klinkt als een klok die in een naburige kamer tikt. De klok rond, K. - we zijn vierentwintig weken ver.’

Hij: ‘Hou nou eens op.’
‘Waarmee?’
‘Die dikke buik van jou. Er gewoon eens even over ophouden zo.’
‘Er gewoon niks over zeggen zo?’
‘Ja, gewoon zo, rustig zo…’

Daar liggen we dan. Tien minuten lang. Zonder een woord te zeggen zo. En hij staart voor zich uit, staat op en kust me op mijn wang. Het voelt aan als de lik van een hond die zijn baasje vaarwel komt zeggen.

So long, K., hondje triest, hondje geen zin meer om te spelen, hondje staartje afgeknipt en droef om lelijk, lubberig flutdingetje dat overblijft. Hij streelt nog een keertje over mijn arm, ik voel die natte tong van hem die soms zo zurig smaakt zo en soms alsof hij zijn tanden zou moeten verzorgen zo en dat plekje op mijn achterhoofd waar zijn hand op ligt en waar mijn hele lichaam in samentrekt maar deze keer gebeurt dat niet en ik weet: nu is het pas echt voorbij.
Geen drama. Nog wat gekibbeld.

Aan. Uit. Uit, en toch aan. Aan, en eigenlijk uit.

Het dek van dat schip: inktzwart. Daar zaten we dan. Zot van elkaar. Maar de boeg was als een huid: blauwig. Je zag de aders onder die huid. Bleek-blauwig. Ziekelijk, alarmerend. Zul je het beademen, K., als dat nodig is?

Hij had er weer zin in. Wist van geen ophouden.
‘Nee, niet zo beuken vandaag, je weet wel, ons K-tje voelt dat. Op een dag zal hij naast je lopen, je houdt zijn hand vast en hij zal ze terugtrekken en zeggen: ‘Je hebt me toen pijn gedaan, daar en op dat uur toen ik nog in mama zat.’’
‘Zotte doos’ – dat zei hij in het begin. Nu: ‘Zottin.’

Vanaf nu: woensdag en donderdag. In het hotel. Woensdag hoop ik dat hij donderdag komt, donderdag hoop ik dat hij woensdag komt. Donderdagavond hoop ik dat ik de volgende woensdag niet zal hopen dat hij donderdag komt en de volgende donderdag hoop ik dat ik de volgende woensdag niet zal wanhopen dat hij ooit nog komt. (Maar dan knikt hij eventjes naar mij, op het werk, wanneer hij door de gang loopt, en ik lees in zijn blik: zie je, ik kom, spoedig, en ik hoop dat ik niet wanhopig lijk.)
En dan weer: hopen, urenlang, dagenlang.

En gisteren kwam hij ineens op de balie afgelopen, gooide een map met grafieken voor mijn neus en zei: ‘Dat zijn mijn cijfers. Weet je hoeveel ik opbreng? Al die herverzekeraars – daar maak ik de afspraken mee. Ik alleen. Zonder mij gingen ze hier failliet.’
En hij had weer een heleboel te vertellen, over zichzelf. En geen woord over wat hij gezegd had: ‘Ga maar, ik kom wel’ – daar zat ik dan, in dat hotel, in een kamertje naast de receptie -

Tehuis Eden. ‘Hier ben je in goede handen’, zeggen ze. Eten op tijd. Zonder suikers. Nachtrust. Geen teevee.
‘Niks dat je in verwarring kan brengen’, zegt de verpleger, ‘geen excitantia.’
‘Dus ook geen minnaar?’
‘Mogen hier niet binnen.’
‘En als ik er een nodig heb?’
‘Daar staan wij voor in.’
Ik voelde die stembanden van me trillen, alsof ik schreeuwde, maar er kwam geen geluid uit mijn mond. Niks aan te doen – mijn bek wijdopen, als een geslachte kip, en dat duurde net zolang tot het diensthoofd vanuit de andere vleugel van het gebouw naar me toe kwam en zich persoonlijk verontschuldigde voor de ‘ongelukkige’ uitspraak van die verpleger.

Geen computers, geen internet. Maar ik heb mijn gsm binnengesmokkeld (en nog wat briefpapier).

Ja, ik zal gehoorzamen.
K. in de aanbieding.
Kies mij – mijn woeste blik in de spiegel (spotgoedkoop), mijn billen (afgeprijsd), mijn doorschijnende, dunne huid (waardeloos, K., dat wordt later een lappendeken van plooien en wervelende glooiingen, een wild geribbelde jurk die je aan stukken moet sabbelen voor je ook maar één gaatje vindt), mijn wraakmond (een droge bal onder mijn neus), mijn rouwende vlees en al die botten die kraken en juichend afknappen als je met je superlieve geile woordjes – kutje ruk me tutje tuttemietje - op me inhakt.

En weer: ondersteboven hing ik daar, ondersteboven in zo’n metalen kooi en ik hoorde iemand zeggen wattasaar – wattasaaraan (iemand die stotterde) – ’t is ni schoon wattassaaraandoen. Er zoemde iets in mijn achterhoofd (linksachter, net boven mijn oor). Plastic witte bladen met plastic witte bekers en pipetjes en slangen en sondes woeien naar binnen. Een half uur later wandelden ze weer naar buiten. Rood zagen ze eruit, rood als bloedsinaasappelsap.

Stof, K., ik dwarrel rond in het stof van mijn armen en benen die daarnet nog aan mijn lijf bengelden –

‘Hallo, hallo? K.? K.?’
‘Waar zit je?’
‘In een doelloze stad, schat.’
‘Houdt het dan nooit op?’
‘Ze smeren mijn buik in met jouw vocht. Zo’n kleverige smurrie die je met kleenex afveegt, maar het smaakt iets minder zuur. Ze zetten een muis op die buik van mij, en wijzen naar een plat beeldscherm dat de hele wand vult en daar zie ik dan jouw sms-jes op staan, schat. Hoe blij je bent. Dat je dat nooit gedacht had zo, opnieuw vader te worden. Hallo? K.? Hallo? Hoor je me?’
‘Ja, schat.’
‘Waar ben je?’
‘Hier. Thuis.’
‘Op het terras, bij de hond?’
‘Ja.’
‘Kan je vrouw je horen?’
‘Nee, K.’
‘Ik kom, zodra ik kan. Maak je geen zorgen. Nog een paar onderzoekjes en we zijn hier rond.’
Hij is gerustgesteld. Hangt op.

Ik schrijf hem een brief: ‘Kom, K.. Trek een doktersjas aan, sluip de kamer in. Je mag alles met me doen wat je wil. ‘Beestig goed’, weet je nog? Je dochter zal er ook zijn. Slaapt in een wiegje naast mijn bed. Kun je naar haar kijken terwijl je klaarkomt. Ik hou mijn slipje aan, jij boort gaatjes met je ding. Als je goed luistert, hoor je ons kindje om zijn as draaien. Het houdt zijn stuit tegen mijn kin gedrukt, en zijn ogen vlakbij het gaatje waar je zo graag in zit (achterin, K.). Jij komt klaar, het kindje drinkt en juicht. Drijft terug, weg van ’t gaatje baggerend, zijn lipjes aflikkend, de veilige haven in. Vergeet dat niet! Kunnen we met ons drieën klaarkomen, kunnen we ons geluk niet op.’
Hij haakt in. Belt weer op:
‘Waar zit je?’
‘Op mijn kamer.’
‘Ik dacht: is alles goed met haar? Ben je niet te moe? Al die onderzoeken…’
‘Ach – het hoort erbij.’
‘Laat maar weten, als er iets is, dag en nacht – bel me op.’
‘Doe ik. Doe ik, schat.’

Tromgeroffel, de vijand nadert, vijf minuten later:
‘He lieverd, luister. Ik ben altijd stand-by voor jou.’ (Heeft hij al duizend keer gezegd.) ‘Wat hoor ik daar?’
‘Een verpleegster, schat. Komt even iets opmeten.’
‘Is dat eten daar te vreten? Wat breng ik morgen voor je mee? En voor de kid?’
‘Hoeft niet, schat, wat lief van je. Hoe zal het heten? Zullen we ’t Kontiki noemen? Hier kweken ze hermafrodieten, K., en nog een ander soort mensen. Self sufficient humans. Bevruchten zichzelf, op straat, bij de vaat, zonder dat jij eraan te pas komt. Kun je eindelijk wat rusten, K.’
Hij zwijgt, ontroerd.

‘Ben er weer’, zegt hij, ‘stoor ik je?’
‘Natuurlijk niet.’
‘Ik zat aan je te denken.’
'Ik ook, schat.'

Ik zit op mijn kamer, met het nachtkleed aan dat we samen gekocht hebben. Zijn hoofd gonst van ’s morgens tot ’s avonds van het denken aan mij. En dan zijn er nog die sessies bij de vroedvrouw: hij leert er alles over normale, dubbele, vertakte en verzakte buidels en kanalen; rolbewegingen, weeën, afklemmen, doorknippen, inscheuren, dichtnaaien, ontsluiten en verlossen. Oefent zijn gebaren en grimassen in voor de spiegel: dolgelukkig kijken, bedremmeld naast het bed staan, over mijn voorhoofd aaien (al zie ik er vreselijk uit), trots en dankbaar zijn en zeggen: ‘Nu, K., ja nu word ik een ander iemand.’

‘Dag schat.’
‘Ben je daar weer?’
‘Ik wou je stem horen, schat.’
‘Wat lief, schat.’
‘Wat doe je nu?’
‘Ik hou een dagboek bij, schat. Voor Kontiki. Zal hij later lezen hoe graag we hem zagen.’
En opnieuw: wat ben je moedig, vrouwtje van me, ik heb een rammelaar gekocht, pampers, een hartmetertje en echinacea en olie om de stembanden en zo te smeren, wat heb je gegeten, en wat zal ik voor je kopen?
‘Nee, schat’, zeg ik, ‘hoeft echt niet. En nu moet ik echt wel dodo doen’, en ik zet de gsm uit.

Zet hem weer aan. Ben hem vergeten te vragen: he, smerig beest, waar blijft dat zaadmonster van je, minimum twintig milliliter? Stel dat het weer ‘ns mislukt. Je had het me godverdomme beloofd!

Ik ben een aanstaande moeder. We zijn aanstaande ouders, we dragen elkaar. Samen kunnen we de hele wereld aan. Volgende week zal ik op de trappen van de kerk, nadat de ceremonie voorbij is, met de ene K. op mijn arm en de andere K. aan mijn zij in een regen van confetti verdrinken.

K.: ‘Ben je nu al terug? Alles ok? Alles goed verlopen?’ (Mijnheer is voor een keertje niet direct; durft niet te vragen waar ik was.) ‘Ik kom, kortelings, heel kortelings’, zegt hij. Tast naar zijn heupen. Raadpleegt een of ander electronisch ding dat als een revolver in een holster aan zijn broeksriem hangt. ‘Sorry ik moet ervandoor’, zegt hij, ‘ik word opgeroepen.’ En strijdlustig, zijn das rechttrekkend en opgeroepen om het hoofd te bieden aan vele, zware problemen veert hij overeind, loopt de gang op, stapt de lift in en haast zich naar zijn vele vrouwen die hem ongeduldig opwachten in Aalst, Alaska en Oesbekistan.

Dossier K. Betreft: vele malen zwaar letsel toegebracht. Zet het op de computer, K. Paswoord: geil. Samenvatting: kwijl, slijm, fluim, vuil, geil, lijd, kwijn, zwijn. Undisclosed Recipient: onze kleine embryo. Rond af met: ok, dadda, tjus, x, kus, smile, overdrijf niet, bek dicht, ’t was godverdomme grappig bedoeld, je vroeg er zelf naar, waarom zo emotioneel?, trek het je niet aan of ik laat je zitten. Suppressed Recipient: K. (de stomme K.).

Ik wou een kind, ik had het, ben het ergens kwijtgeraakt - nu heb ik niks meer. Behalve iets wat me uitvreet, en hij die afstand neemt.

Een stad van angst. De man die zich verwijderde. De vrouw die doodging. Banaal, voorspelbaar. En hoe dat onontkoombaar was.

Hij komt achter me aangelopen wanneer ik de hall uit kom. Ik spring de tram op, hij bonkt tegen de deur. Springt binnen. Terwijl ik naar achter doorloop hoor ik hem janken; ik wurm me verder naar achter, in de hoop dat hij door die dichte massa mensen niet heen geraakt maar hij stoot met zijn ellebogen en splijt die massa mensen open. Ik tril op mijn benen wanneer hij zijn hand op mijn schouder legt.
‘Waar ging het om?’ zegt hij. ‘Ik ben graag bij jou, jij mag me wel, niks verkeerds aan.’
En dat hij het zijn kinderen niet kan aandoen, zijn jongste dochter is dol op hem, zijn vrouw meent het goed maar in bed 'is 't een ramp' - en ik wil tenslotte toch alleen maar vrijen en hij ook, en 'dat is zo perfect dan'. 
Een vrouw keek me met een vieze blik aan: trut, die vent wil jou, mij overkomt dat niet iedere dag, en hij pakte mijn hand vast en begon ze te kussen – weer al die ringvormige vlekken op zijn vingers die hij in vele lichamen drukt –.
Ik zag mijn gezicht in de glazen deur die openging: lijkbleek, als een zombie voelde ik me, hij moest me achter zich aanslepen.
‘We beginnen opnieuw’, zei hij, ‘maar begin alsjeblieft niet te zeuren over – je weet wel.’

We waren teruggelopen, langs steil oplopende straten, voorbij een speelgoedwinkel, een krantenwinkel, voorbij huizen met voortuintjes en opritten die schuin de grond in liepen, langs een stille straat met herenhuizen. Een jong koppel kwam een huis uit. We staken de straat over.
‘Hier is ook nog iets’, zei hij: in een huis met een grote smalle voordeur waar hij aanbelde liep een vrouw die Spaans sprak ons voor naar het souterrain met een brede donkere kamer die via trappen uitkwam op een veranda, en in het zonlicht met op de achtergrond een ommuurde tuin met een plataan in hebben we gevreeën. Maar ik deed niks, ik zat daar maar, ik lag daar maar. Gepakt, genomen, gestoken.

‘All included’, zei hij – wijzend naar twee grote vazen op hoge ijzeren poten met gelige drijfkaarsen in en twee rozen met verslenste bloemblaadjes op het hoofdkussen. Weinigen weten ervan, zei hij, van dit ‘liefdesnestje’. Classy, en voor select publiek - en dat het plafond style empire was. En de gevel was gerenoveerd en die Spaanse deed hem denken aan iemand die ooit secretaresse bij ons was (ja, K., natuurlijk K., caballero torero universale, je weet ze altijd wel te vinden). Hij had op geen geld gekeken, zei hij, ik was dat waard.

Hij wilde niks van mij verloren laten gaan, geen druppel, alle vocht, vanbinnen, vanbuiten, alles moest hij hebben. Ik genoot er wel van, maar niet helemaal, iets daverde van angst in mij – en aan zijn hand lopend als aan de leiband strompelde ik achter hem aan terug naar kantoor, liep de toiletten in, zocht mezelf op voor de spiegel. Wat ik ook op mijn gezicht uitwreef, het bleef er bleek en angstig uitzien. Ik kijk naar mijn linkerhand die ik op het blad voor mij heb gelegd – mijn vingers trillen - ze voelt aan alsof hij die nog altijd vasthoudt.

'Mijn liefste K, Jezus, verdomd verwend nest hot teef woensdag op post? Aan de deur. Je zegt: hola en André tegen die Spaanse en ze zal je wel binnenlaten.’ En een adres - van dat huis, vermoed ik.

Hoe sjieker de plek hoe beter, en hij betaalt de kamer met de glimlach.

'Eigenlijk vind ik dat een vrouw voor haar kinderen moet zorgen’, zegt hij, ‘vrouw aan de haard, weet je, ik ben daar niet tegen in feite.’

Shit K., stik K., crepeer K. Heb het aan mijn darmen, K. No entrance today. Zou niet helpen. Vieze luchtjes, dat vindt hij juist fantastisch.

Beneden, op de gelijkvloers, in de grote inkomhall, terwijl ik door de getinte ramen een stad bij valavond zie, zoals altijd, en trams die voorbijdenderen op de middenberm: O., die ineens naast mij staat, zegt me: ‘K. heeft zijn eerste vrouw van de ene dag op de andere in de steek gelaten. Hij werd verliefd op een andere vrouw. Hij had haar gezegd: ik wil met je trouwen. Ze wou niet. En toen stond hij daar, bij haar thuis, met al zijn spullen, en hij is bij haar ingetrokken. Twee maanden later waren ze al getrouwd.’
Ik trek mijn schouders op.
O.: ‘Hij laat er geen gras over groeien; hij is al vier keer getrouwd geweest.’
O. wrijft met zijn handen over zijn vestzakken, kucht wanner iemand langs loopt. Spreekt traag, met een ernstig gezicht alsof hij heel belangrijk is, mijnheer de zakenman, de businessman. Over K., die ‘snel beslissingen neemt’, ‘onder stress altijd goed presteert’, ‘de conjunctuur’ en hoe K. ‘onvoorstelbaar creatief is en zelfs ik, ja, ik ben soms ook een beetje, nou ja….’ (De rest ben ik vergeten.)

‘Ging je lunchen?’, vraagt O. (Ik stond nog altijd op K. te wachten.) ‘Mooi weer buiten’, zegt hij, en dat het ‘plakke zon’ is en je beter zonnecrème opsmeert als je buiten komt. En gisteren was er nog iets goed op televisie. En hij vertelt er nog bij dat K. trouw is, maar zodra hij zijn zinnen op een vrouw heeft gezet, ‘dan is hij niet meer te houden, zo dol als een stier wordt hij dan. Wat hij wil, hij vreet het gewoon op.’
O. kijkt mij aan, verwacht dat ik nieuwsgierig of verbaasd kijk, maar ik stond koeltjes en met mijn rug naar hem naar de tram te kijken die aan de halte stilhield.
O.: ‘En heb je dat interview gelezen met die presentator? En er begint een nieuwe teeveeserie’ – en hij stak een vingertje in de lucht, zei: ‘Knoop het in je oren. En nu moet ik ervandoor. Werk, werk, werk! Het houdt maar niet op!...’ (Hoe hij wegsprintte: zoals een paashaas, opgejaagd door marsepeinen jagers.)

‘Dag O., ren maar, O.’, zei ik. Maar hij was al (zo zag ik door de grote donkere ramen) weg en stond daar mooi op het midden van de rijweg, gretig naar me kijkend, onbeweeglijk wachtend tot een aanstormende bus hem plat wou walsen.

Zie ik er nu echt zo dom uit? Alsof ik niet weet dat K. hem dat ingefluisterd heeft: ga tegen die trut zeggen dat ze zich geen illusies moet maken; ik wou haar, zij wou mij niet, ik heb me afgepeigerd en suf betaald voor dat mens. Goeie kont, maar verder niks. Dumpen dat rotmens, heb er mijn bekomst van.

Een kwartier later (ik stond daar maar, in die hall) liet K. me weten dat hotel W. volgeboekt was.
‘O ja, K., is dat zo?’
‘Ja, K., jammer hé? Ik verlang zo naar jou.’
Dat zal wel. Trouwe hond met acute nood aan verse hete teven.

Alert blijven – controle behouden. Niks meer eten alleen nog drinken (water, alleen water). Het is: hij – of niemand anders.

O. belt me op, en zegt: ‘Ben ik bij K.?’
‘Ja.’
‘O, K. toch, wat jammer voor je. Ik heb het net gehoord.’
‘Wat heb je net gehoord, O.?’
‘De breuk…’
‘Nee, het zijn mijn pezen, O., mijn schouders, mijn heupen. Ze doen pijn, alsof ze ontstoken zijn. Ze houden me niet samen, ze verslappen. Soms val ik gewoon uit elkaar.’
Stilte.
‘Ik word opgenomen, O. – zullen ze me weer samenrapen.’
‘O’, zegt O.
‘Ik ken dat. Binnen een paar maanden begint het opnieuw. Altijd opnieuw.’
(Hij zwijgt.)
‘Jammer, K., maar ik bedoel die andere breuk. Je weet wel. Met K. Kan ik het goedmaken? Zal ik even langskomen?’
‘Het zijn mijn pezen, O.’ 
Maar hij herhaalt: ‘Zal ik even langskomen?’ 
‘Ik word opgenomen, O., weer opgenomen, O.’ 
‘Komaan, K., zal ik nu even langskomen? Ik ben al onderweg, ben bij jou in de buurt’, zegt hij, ‘je hoeft maar ok te zeggen en ik spring bij je binnen.’ 
‘Nee’, zeg ik, ‘dank je, O., vriendelijk bedankt, O.’

Hier liggen alleen maar stukken en brokken op de vloer, dat is al wat van mij overblijftt.

De haven. Enkel hier voel ik me thuis. (Niemand van mijn werk belt me op.)

Berichtje inspreken: kom terug, smeerlap – berichtje met gratis gehijg erbij, een foto met het vocht dat ik uit mijn mooiste gaatje pers en dat uit de luidspreker in zijn oor druppelt – was ik maar ziek geweest, zodat hij nu met korsten op zijn rug, blaasjes op de liezen, ontstoken oren en een tot ballonproporties opgeblazen paarse kop met druipende neus en ondraaglijke hoofdpijn bij zijn braaf huisvrouwtje in bed ligt te janken van gemis – ziek van mij, doodziek en ijlend en straks zo dood als een pier.

In het begin was het goed; daarna werd het beter; daarna

In de haven

Een soort slijpschijf kwam vanuit de diepte van die bouwput, vanonder dat water dat aan mijn voeten lag op me af geslingerd. Dat ding hing daar, roerloos. Ik wist wat het wou. Ik was er klaar voor. Het snerpte, ging op zijn zij staan, zodat ik enkel een loodrechte, zwarte streep zag, zo dun als een haar. De wrijving van de lucht deed het water rimpelen, poetste dat ding schoon, wreef er de modder af tot het een schitterende, gouden schijf werd die naar links, naar rechts draaide, plat ging liggen, een dunne, horizontale bies werd die de stad in tweeën sneed. Boven zag ik een stad van lichten, onderin een stad van water en rode grond. Stad van lucht, beweging – stad van ademnood, van stilstand.

Alleen ik zag dat. Hoe je de bodem onder de stad uit kunt snijden, met een flinterdunne draad, die zee van bloed waar ze op teert, zodat ze met al haar lichtjes, torens en fabrieken naar beneden dondert. De duisternis in. Haar verdiende loon.

Waarna dat ding me doormidden sneed. Snel, vakkundig. Bevrijd, opgelucht zweefde ik terug naar huis. Een romp, geen benen, geen bekken. Over daken, huizen, parken. Het moest zo zijn, het kon niet anders.

Ik heb mijn bebloede vingers afgewassen. Het washandje en de handdoek heb ik in de wasmachine gestopt. Met mijn gezicht in het hoofdkussen gedrukt ben ik urenlang in bed blijven liggen. Ingepakt, platgedrukt. Ik dacht aan larven die kapotgaan onder een spervuur van zonnestralen. Aan wat uit me weg moet en als het dat niet wil dan haal ik het er zelf wel uit. Ik wou iets drinken, dacht: nee, als ik nu niet drink, gaat het sneller. De ramen waren dicht, ik had de gordijnen dichtgetrokken. Ik had mezelf in een grote plastic zak gewikkeld. En ik had me nog verder ingewikkeld in lakens – en daarbovenop mijn dekbed en een stapel dekens sole mio: hermetisch dicht, dat lijf van me, er kon niks in, niks uit. Als een weekdier in een ritselend plastic pantser. Uren heb ik het uitgehouden, tot ik het weer licht zag worden, de auto’s in de straat hoorde opstarten. Iets in mij deed mij naar adem happen – ja, er was licht buiten, er was nog altijd iets in mij dat me zei: nee, je mag niet weg, nee, nu nog niet.

Wat ik daar nog gedacht heb (toen ik op dat strand stond, voor het water): ik hield van K. (en alle anderen). Ik wou ze uit het beton loswrikken. Hij vrijt er vrolijk op los. Van in het begin wist ik waar ik terecht zou komen. De grond in.

He, K., wil je me iets beloven? Ik beveel je me te begraven onder de plataan, K., met opgehoopte aarde onder mijn buik, en mijn billen bloot. En wil je alsjeblieft een paar wierookstaafjes in mijn kont planten?

De lente loopt op z’n einde aan, K. Er komt geen ander seizoen meer. Laat de stad maar verder klooien, ik zoek een andere plek op. Maak je geen zorgen, ze vinden wel een andere receptioniste, je mag ze voor mijn part bespringen. Bye, bye, vriendje, veel leute valt er aan mij niet meer te beleven: mijn vrolijk slurpende holte ben ik kwijt. Ik zal nooit meer die zuigende geluidjes maken waar je zo hard om lachte toen je in me zat.

Ik dacht: als ik hier blijf liggen, zal het dan zomaar uit me wegglippen, dat kind? Niet rollen, niet stuiteren, gewoon uit me wegglijden en in het water belanden, zonder dat ik het merk? Niet eens een plons. Enkel dat zacht zuigende geluid van voorwerpen die uit je wegglippen en in de modder verdwijnen – plop, plop, die mens is op. Zo moeilijk is dat niet, ik hoef niks oefening met de sluitspieren: het ding komt er zomaar uit gefloept.

Er is die oever, die knik in het kanaal. Vlakbij die drie ijzeren wachters. Dat gedoe met gewichten om je enkels, die met stenen volgepropte zakken - hebben we niet nodig. Ik hou je wel stevig vast, ik kom over je liggen.

Kom, K., het bad met dode vissen in. Niks denken, lieverd, glij maar, langs het droge, grijze gras. We drijven niet, we glippen uit iets weg. Kom, kind, rechtop op de kromme beentjes, moedig het water in. Wil je dat ik zing? Kan ik niet. Niet huilen, het water is nog zo koud niet. Wedden dat hij zal denken: die hete feeks zonk tot op de bodem, tot het water al haar gaten binnengesijpeld was, dat moet lang geduurd hebben. Ze had een grote, vieze, vuile mond.